A1 · Woorden: 41
Weer en seizoenen in het Duits
Zon, regen, sneeuw, de maanden en de seizoenen.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (41), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Over het weer praat het Duits met es, net zoals het Nederlands met “het”: Es regnet, es schneit. Waaien heeft geen eigen werkwoord; je zegt Es ist windig of Der Wind weht. De maanden zijn in het Duits mannelijk en krijgen als zelfstandig naamwoord een hoofdletter: der Januar, im Januar. In Oostenrijk zegt men Jänner.
De woorden
Werkwoord (2)
regnenregenenWerkwoordA1
schneiensneeuwenWerkwoordA1
Bijwoord (1)
draußenbuitenBijwoordA1
Zelfstandig naamwoord (30)
das Wetterhet weerZelfstandig naamwoordA1
die Sonnede zonZelfstandig naamwoordA1
der Regende regenZelfstandig naamwoordA1
der Schneede sneeuwZelfstandig naamwoordA1
der Windde windZelfstandig naamwoordA1
die Wolkede wolkZelfstandig naamwoordA2
der Himmelde lucht; de hemelZelfstandig naamwoordA1
Voor het weer gebruik je der Himmel; die Luft is de lucht die je inademt.
das Gewitterhet onweerZelfstandig naamwoordA2
der Nebelde mistZelfstandig naamwoordA2
der Gradde graadZelfstandig naamwoordA1
Na een getal geen meervoud: zwanzig Grad.
die Temperaturde temperatuurZelfstandig naamwoordA2
die Jahreszeithet seizoen, het jaargetijdeZelfstandig naamwoordA1
der Frühlingde lenteZelfstandig naamwoordA1
der Sommerde zomerZelfstandig naamwoordA1
der Herbstde herfstZelfstandig naamwoordA1
der Winterde winterZelfstandig naamwoordA1
der JanuarjanuariZelfstandig naamwoordA1
der FebruarfebruariZelfstandig naamwoordA1
der MärzmaartZelfstandig naamwoordA1
der AprilaprilZelfstandig naamwoordA1
der MaimeiZelfstandig naamwoordA1
In Duitsland is 1 mei een vrije dag.
der JunijuniZelfstandig naamwoordA1
der JulijuliZelfstandig naamwoordA1
der AugustaugustusZelfstandig naamwoordA1
der SeptemberseptemberZelfstandig naamwoordA1
der OktoberoktoberZelfstandig naamwoordA1
der NovembernovemberZelfstandig naamwoordA1
der DezemberdecemberZelfstandig naamwoordA1
der Urlaubde vakantie, het verlofZelfstandig naamwoordA1
Vakantie van het werk; schoolvakanties heten die Ferien.
der Schirmde paraplu; het schermZelfstandig naamwoordB1
Kort voor der Regenschirm; ook “scherm” in der Bildschirm.
Bijvoeglijk naamwoord (8)
warmwarmBijvoeglijk naamwoordA1
heißheetBijvoeglijk naamwoordA1
kühlkoel, frisBijvoeglijk naamwoordA2
nassnatBijvoeglijk naamwoordA1
trockendroogBijvoeglijk naamwoordA1
sonnigzonnigBijvoeglijk naamwoordA2
bewölktbewolktBijvoeglijk naamwoordA2
windigwinderigBijvoeglijk naamwoordA2
Deze lijst hoort bij Natuur, weer en dieren — lijsten: drie, woorden: 136; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.