Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 53

De stad en de weg vinden in het Duits

Station, halte, kruispunt — en hoe je naar de weg vraagt.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (53), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Wie de weg vraagt, begint met Entschuldigung en vraagt Wie komme ich zum …?. Het Duits maakt onderscheid tussen gehen (te voet) en fahren (met een voertuig); “ik ga met de trein” is ich fahre mit dem Zug. Let op laufen: dat betekent lopen én rennen. En die Bahn is de spoorweg, de trein en soms de tram — wie mit der Bahn reist, reist meestal met de trein.

De woorden

Werkwoord (9)

fahrenrijden, gaan (met een voertuig)WerkwoordA1
Wir fahren mit dem Zug nach Hamburg.We gaan met de trein naar Hamburg.

Sterk: du fährst, er fährt.

Vervoeging van fahren →

laufenlopen; rennenWerkwoordA1
Wir sind den ganzen Weg gelaufen.We hebben de hele weg gelopen.

Sterk: du läufst, er läuft.

Vervoeging van laufen →

ankommenaankomenWerkwoordA1
Der Zug kommt um halb sechs an.De trein komt om half zes aan.
abfahrenvertrekkenWerkwoordA2
Wann fährt der nächste Bus ab?Wanneer vertrekt de volgende bus?
umsteigenoverstappenWerkwoordA2
In Hannover müssen Sie umsteigen.In Hannover moet u overstappen.
suchenzoekenWerkwoordA1
Ich suche die Touristeninformation.Ik zoek het toeristenbureau.

Vervoeging van suchen →

findenvindenWerkwoordA1
Ich finde die Adresse nicht.Ik kan het adres niet vinden.

Ook “vinden” als mening: Ich finde das gut.

Vervoeging van finden →

sich befindenzich bevindenWerkwoordB1
Das Hotel befindet sich direkt am Bahnhof.Het hotel bevindt zich direct bij het station.
verlaufenverlopen; zich verlaufen: verdwalenWerkwoordB1
Wir haben uns im Wald verlaufen.We zijn in het bos verdwaald.

Met sich: Wir haben uns verlaufen.

Bijwoord (4)

linkslinksBijwoordA1
An der Ampel gehen Sie links.Bij het stoplicht gaat u naar links.
rechtsrechtsBijwoordA1
Die Toiletten sind rechts.De toiletten zijn rechts.
geradeausrechtdoorBijwoordA1
Gehen Sie immer geradeaus bis zur Kreuzung.Loop rechtdoor tot het kruispunt.
hineinnaar binnenBijwoordB1
Die Tür war offen, also ging sie hinein.De deur was open, dus ging ze naar binnen.

Zelfstandig naamwoord (37)

die Stadtde stadZelfstandig naamwoordA1
Wir fahren am Samstag in die Stadt.Zaterdag gaan we naar de stad.
das Dorfhet dorpZelfstandig naamwoordA2
Er ist in einem kleinen Dorf aufgewachsen.Hij is in een klein dorp opgegroeid.
die Straßede straat, de wegZelfstandig naamwoordA1
Die Straße ist wegen einer Baustelle gesperrt.De straat is afgesloten vanwege werkzaamheden.
der Platzhet plein; de plaatsZelfstandig naamwoordA1
Der Markt ist auf dem Platz vor der Kirche.De markt is op het plein voor de kerk.

Ook “plaats, zitplaats”: Ist der Platz frei?

der Wegde wegZelfstandig naamwoordA1
Können Sie mir den Weg zum Bahnhof zeigen?Kunt u me de weg naar het station wijzen?
die Eckede hoekZelfstandig naamwoordA1
Die Apotheke ist gleich an der Ecke.De apotheek is hier op de hoek.
der Bahnhofhet stationZelfstandig naamwoordA1
Der Bahnhof ist zehn Minuten zu Fuß.Het station is tien minuten lopen.
die Haltestellede halteZelfstandig naamwoordA1
Die nächste Haltestelle ist Marktplatz.De volgende halte is Marktplatz.
der Zugde treinZelfstandig naamwoordA1
Der Zug hat zwanzig Minuten Verspätung.De trein heeft twintig minuten vertraging.
der Busde busZelfstandig naamwoordA1
Der Bus fährt alle zehn Minuten.De bus rijdt elke tien minuten.
die Straßenbahnde tramZelfstandig naamwoordA1
Mit der Straßenbahn sind es vier Stationen.Met de tram zijn het vier haltes.
das Autode autoZelfstandig naamwoordA1
Wir sind mit dem Auto gekommen.We zijn met de auto gekomen.

Onzijdig: das Auto.

das Fahrradde fietsZelfstandig naamwoordA1
Mein Fahrrad steht im Keller.Mijn fiets staat in de kelder.

Spreektaal: das Rad.

die Fahrkartehet kaartje, het vervoersbewijsZelfstandig naamwoordA1
Eine Fahrkarte nach Bremen, bitte.Een kaartje naar Bremen, alstublieft.
die Kirchede kerkZelfstandig naamwoordA1
Die Kirche stammt aus dem vierzehnten Jahrhundert.De kerk is uit de veertiende eeuw.
das Rathaushet stadhuis, het gemeentehuisZelfstandig naamwoordA2
Das Rathaus liegt mitten in der Altstadt.Het stadhuis staat midden in de oude binnenstad.
die Posthet postkantoor; de postZelfstandig naamwoordA1
Ich muss noch zur Post.Ik moet nog naar het postkantoor.
die Bankde bankZelfstandig naamwoordA1
Neben der Bank ist eine Bäckerei.Naast de bank is een bakkerij.
das Geschäftde winkel; de zaakZelfstandig naamwoordA1
Die Geschäfte schließen um acht.De winkels sluiten om acht uur.
der Supermarktde supermarktZelfstandig naamwoordA1
Im Supermarkt gibt es alles.In de supermarkt is alles te koop.
die Apothekede apotheekZelfstandig naamwoordA1
Das bekommen Sie nur in der Apotheke.Dat krijgt u alleen bij de apotheek.
das Krankenhaushet ziekenhuisZelfstandig naamwoordA2
Sie arbeitet im Krankenhaus.Ze werkt in het ziekenhuis.
die Schulede schoolZelfstandig naamwoordA1
Die Schule fängt um acht an.De school begint om acht uur.
das Museumhet museumZelfstandig naamwoordA1
Das Museum ist montags geschlossen.Het museum is op maandag gesloten.
die Kreuzunghet kruispuntZelfstandig naamwoordA2
An der zweiten Kreuzung rechts.Bij het tweede kruispunt rechts.
die Ampelhet stoplichtZelfstandig naamwoordA2
Die Ampel ist schon wieder rot.Het stoplicht staat alweer op rood.
die Brückede brugZelfstandig naamwoordA2
Nach der Brücke kommt der Park.Na de brug komt het park.
der Hauptbahnhofhet centraal stationZelfstandig naamwoordA1
Der Bus fährt zum Hauptbahnhof.De bus rijdt naar het centraal station.
der Parkhet parkZelfstandig naamwoordA1
Am Sonntag gehen wir in den Park.Op zondag gaan we naar het park.
das Zentrumhet centrumZelfstandig naamwoordA2
Das Hotel liegt im Zentrum.Het hotel ligt in het centrum.
das Kaufhaushet warenhuisZelfstandig naamwoordA2
Im Kaufhaus gibt es alles.In het warenhuis is alles te koop.
der Ladende winkelZelfstandig naamwoordA2
Der kleine Laden an der Ecke hat bis acht offen.Het winkeltje op de hoek is tot acht uur open.
das Schildhet bordZelfstandig naamwoordA2
Auf dem Schild steht „Ausgang“.Op het bord staat “Uitgang”.
der Ausgangde uitgangZelfstandig naamwoordA2
Wo ist der Ausgang?Waar is de uitgang?
die Bahnde trein, de spoorwegZelfstandig naamwoordA2
Ich fahre mit der Bahn nach Berlin.Ik ga met de trein naar Berlijn.
die Umgebungde omgevingZelfstandig naamwoordB1
In der Umgebung gibt es viele Seen.In de omgeving zijn veel meren.
die Innenstadtde binnenstadZelfstandig naamwoordA2
Wir gehen heute in die Innenstadt.We gaan vandaag naar de binnenstad.

Uitdrukking (2)

zu Fußte voet, lopendUitdrukkingA1
Zu Fuß sind es zehn Minuten.Lopend is het tien minuten.
in der Nähein de buurtUitdrukkingA1
Gibt es hier in der Nähe eine Bäckerei?Is hier in de buurt een bakker?

Bijvoeglijk naamwoord (1)

weitverBijvoeglijk naamwoordA1
Ist es noch weit bis zum Markt?Is het nog ver naar de markt?

Valse vriend: niet “wijd” (breit).

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Reizen en verkeer — lijsten: drie, woorden: 133; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining