Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 48

Mensen en familie in het Duits

Familie, vrienden, buren — en hoe je je voorstelt.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (48), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

De familiewoorden liggen dicht bij het Nederlands: der Vater, die Mutter, der Bruder. Een verschil: die Geschwister is één woord voor broers en zussen samen, en die Eltern bestaat alleen in het meervoud. Der Freund en die Freundin kunnen een vriend zijn of een partner, net als in het Nederlands. Wie het duidelijk wil maken, zegt ein Freund von mir: een vriend van mij.

De woorden

Werkwoord (6)

arbeitenwerkenWerkwoordA1
Sie arbeitet bei einer Bank.Ze werkt bij een bank.

Vervoeging van arbeiten →

kennenkennenWerkwoordA1
Kennst du seine Schwester?Ken je zijn zus?

Voor mensen en plaatsen; feiten zijn wissen.

Vervoeging van kennen →

heißenhetenWerkwoordA1
Wie heißt deine Tochter?Hoe heet je dochter?
liebenhouden vanWerkwoordA1
Sie liebt ihre Arbeit.Ze houdt van haar werk.
besuchenbezoekenWerkwoordA1
Wir besuchen am Sonntag meine Tante.Op zondag gaan we bij mijn tante op bezoek.

Vervoeging van besuchen →

heiratentrouwenWerkwoordA2
Sie heiraten im Mai.Ze trouwen in mei.

Bijwoord (1)

zusammensamenBijwoordA1
Wir wohnen zusammen in einer WG.We wonen samen in een studentenhuis.

Zelfstandig naamwoord (36)

der Mannde man, de echtgenootZelfstandig naamwoordA1
Der Mann am Fenster ist mein Nachbar.De man bij het raam is mijn buurman.

mein Mann = mijn man.

die Familiehet gezin, de familieZelfstandig naamwoordA1
Meine Familie wohnt in Köln.Mijn familie woont in Keulen.
die Elternde oudersZelfstandig naamwoordA1
Meine Eltern kommen am Wochenende.Mijn ouders komen in het weekend.

Alleen meervoud.

der Vaterde vaderZelfstandig naamwoordA1
Mein Vater ist Lehrer.Mijn vader is leraar.
die Mutterde moederZelfstandig naamwoordA1
Seine Mutter arbeitet im Krankenhaus.Zijn moeder werkt in het ziekenhuis.
das Kindhet kindZelfstandig naamwoordA1
Wir haben zwei Kinder.We hebben twee kinderen.

Meervoud: die Kinder.

der Sohnde zoonZelfstandig naamwoordA1
Ihr Sohn geht schon zur Schule.Haar zoon gaat al naar school.
die Tochterde dochterZelfstandig naamwoordA1
Unsere Tochter ist sieben Jahre alt.Onze dochter is zeven jaar.
der Bruderde broerZelfstandig naamwoordA1
Mein Bruder wohnt in Berlin.Mijn broer woont in Berlijn.
die Schwesterde zusZelfstandig naamwoordA1
Ich habe eine ältere Schwester.Ik heb een oudere zus.
die Geschwisterbroers en zussenZelfstandig naamwoordA1
Hast du Geschwister?Heb je broers of zussen?

Eén woord voor beide samen.

die Großmutterde grootmoederZelfstandig naamwoordA1
Meine Großmutter ist neunzig geworden.Mijn grootmoeder is negentig geworden.
der Großvaterde grootvaderZelfstandig naamwoordA1
Mein Großvater war Schreiner.Mijn grootvader was timmerman.
die Omade omaZelfstandig naamwoordA1
Am Sonntag besuchen wir die Oma.Op zondag gaan we naar oma.
der Opade opaZelfstandig naamwoordA1
Der Opa erzählt gern alte Geschichten.Opa vertelt graag oude verhalen.
das Babyde babyZelfstandig naamwoordA1
Das Baby schläft endlich.De baby slaapt eindelijk.

Onzijdig: das Baby.

der Jungede jongenZelfstandig naamwoordA1
Der Junge da vorne wartet auf seinen Vater.De jongen daarvoor wacht op zijn vader.
das Mädchenhet meisjeZelfstandig naamwoordA1
Das Mädchen liest ein Buch.Het meisje leest een boek.

Onzijdig, zoals “het meisje”.

der Freundde vriendZelfstandig naamwoordA1
Ein Freund von mir arbeitet dort.Een vriend van mij werkt daar.
die Freundinde vriendinZelfstandig naamwoordA1
Meine Freundin kommt aus Polen.Mijn vriendin komt uit Polen.
der Nachbarde buurmanZelfstandig naamwoordA1
Der Nachbar hat einen lauten Hund.De buurman heeft een luide hond.

Vrouwelijk: die Nachbarin.

der Kollegede collegaZelfstandig naamwoordA2
Ein Kollege hat mir das erzählt.Een collega heeft het me verteld.
die Leutede mensenZelfstandig naamwoordA1
Hier sind heute viele Leute.Er zijn hier vandaag veel mensen.

Alleen meervoud, alledaags; die Menschen is algemener.

die Personde persoonZelfstandig naamwoordA1
Für wie viele Personen ist der Tisch?Voor hoeveel personen is de tafel?
der Namede naamZelfstandig naamwoordA1
Wie war noch einmal Ihr Name?Hoe was uw naam ook alweer?
das Alterde leeftijdZelfstandig naamwoordA2
In diesem Alter lernt man schnell.Op die leeftijd leer je snel.

Valse vriend: geen altaar (der Altar).

der Berufhet beroepZelfstandig naamwoordA1
Was sind Sie von Beruf?Wat is uw beroep?
der Lehrerde leraarZelfstandig naamwoordA1
Unser Lehrer erklärt das sehr gut.Onze leraar legt het heel goed uit.
der Arztde arts, de dokterZelfstandig naamwoordA1
Ich muss morgen zum Arzt.Ik moet morgen naar de dokter.
der Studentde studentZelfstandig naamwoordA1
Er ist Student in Leipzig.Hij studeert in Leipzig.
der Enkelde kleinzoon, het kleinkindZelfstandig naamwoordA2
Am Sonntag kommen die Enkel zu Besuch.Op zondag komen de kleinkinderen op bezoek.
die Enkelinde kleindochterZelfstandig naamwoordA2
Meine Enkelin ist drei Jahre alt.Mijn kleindochter is drie jaar.
der Onkelde oomZelfstandig naamwoordA1
Mein Onkel wohnt in Hamburg.Mijn oom woont in Hamburg.
die Tantede tanteZelfstandig naamwoordA1
Meine Tante hat zwei Hunde.Mijn tante heeft twee honden.
die Ehefraude echtgenoteZelfstandig naamwoordA2
Er kommt mit seiner Ehefrau.Hij komt met zijn vrouw.
der Ehemannde echtgenootZelfstandig naamwoordA2
Ihr Ehemann arbeitet bei der Bahn.Haar man werkt bij het spoor.

Bijvoeglijk naamwoord (5)

altoudBijvoeglijk naamwoordA1
Wie alt bist du?Hoe oud ben je?
jungjongBijvoeglijk naamwoordA1
Sie ist noch sehr jung.Ze is nog erg jong.
verheiratetgetrouwdBijvoeglijk naamwoordA2
Sie sind seit zehn Jahren verheiratet.Ze zijn al tien jaar getrouwd.
ledigongehuwd, alleenstaandBijvoeglijk naamwoordA2
Im Formular kreuzt man ledig oder verheiratet an.Op het formulier kruis je ongehuwd of getrouwd aan.

Valse vriend: niet “leeg” (leer).

geborengeborenBijvoeglijk naamwoordA1
Ich bin 1990 in Köln geboren.Ik ben in 1990 in Keulen geboren.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Mensen, familie en gevoelens — lijsten: twee, woorden: 104; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining