Startpagina › Woordenschat › Basis: getallen, tijd en werkwoorden › Hoeveelheden en verhoudingen
B1 · Woorden: 36
Hoeveelheden en verhoudingen in het Duits
De helft, procent, minstens, ongeveer — en hoe je iets meet.
Oefen deze lijst
Zo kun je oefenen
Uit deze woorden (36), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst Breuken zijn in het Duits zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter: die Hälfte , das Drittel , das Viertel . Een kommagetal schrijf je zoals in het Nederlands: 2,5 Kilo , “zwei Komma fünf”. Voor schattingen gebruik je ungefähr of etwa ; voor grenzen mindestens (minstens) en höchstens (hoogstens).
De woorden
Weergave Beknopt Met voorbeelden
Werkwoord (4)
steigen stijgen Werkwoord B1
sinken dalen, zakken Werkwoord B1
zählen tellen Werkwoord A2 Zähl bitte noch einmal nach. Tel het alsjeblieft nog een keer na.
rechnen rekenen Werkwoord B1
Bijwoord (6)
insgesamt in totaal Bijwoord B1 Insgesamt waren es dreißig Leute. In totaal waren het dertig mensen.
ungefähr ongeveer Bijwoord A2 Es dauert ungefähr eine Stunde. Het duurt ongeveer een uur.
etwa ongeveer, zo’n Bijwoord B1 Etwa die Hälfte hat geantwortet. Ongeveer de helft heeft geantwoord.
mindestens minstens Bijwoord B1 Wir brauchen mindestens zwei Tage. We hebben minstens twee dagen nodig.
höchstens hoogstens Bijwoord B1 Das kostet höchstens zehn Euro. Dat kost hoogstens tien euro.
kaum nauwelijks Bijwoord B1 Es waren kaum zwanzig Leute da. Er waren nauwelijks twintig mensen.
Zelfstandig naamwoord (14)
die Hälfte de helft Zelfstandig naamwoord A2 Die Hälfte reicht mir. De helft is genoeg voor mij.
das Drittel het derde (deel) Zelfstandig naamwoord B1 Ein Drittel der Plätze ist frei. Een derde van de plaatsen is vrij.
das Prozent het procent Zelfstandig naamwoord A2 Zwanzig Prozent sind schon viel. Twintig procent is al veel.
die Menge de hoeveelheid; de menigte Zelfstandig naamwoord B1 Die Menge reicht für vier Personen. De hoeveelheid is genoeg voor vier personen.
die Summe de som, het totaal Zelfstandig naamwoord B1 Die Summe stimmt nicht. Het totaal klopt niet.
das Paar het paar Zelfstandig naamwoord A2 Ein Paar Schuhe steht noch draußen. Er staat nog een paar schoenen buiten.
ein paar met kleine letter is “een paar, enkele”.
das Gewicht het gewicht Zelfstandig naamwoord B1 Das Gewicht darf 20 Kilo nicht überschreiten. Het gewicht mag niet meer dan 20 kilo zijn.
die Länge de lengte Zelfstandig naamwoord B1 Die Länge stimmt, die Breite nicht. De lengte klopt, de breedte niet.
die Breite de breedte Zelfstandig naamwoord B1 Bei dieser Breite passt es nicht durch die Tür. Met deze breedte past het niet door de deur.
die Liste de lijst Zelfstandig naamwoord A2 Setz es bitte auf die Liste. Zet het alsjeblieft op de lijst.
der Zentimeter de centimeter Zelfstandig naamwoord A2 Der Tisch ist achtzig Zentimeter breit. De tafel is tachtig centimeter breed.
der Kilometer de kilometer Zelfstandig naamwoord A2 Bis zum Bahnhof sind es zwei Kilometer. Tot het station is het twee kilometer.
der Millimeter de millimeter Zelfstandig naamwoord B1 Die Schraube ist um einen Millimeter zu dick. De schroef is een millimeter te dik.
die Reihenfolge de volgorde Zelfstandig naamwoord B1 Bitte beantworten Sie die Fragen in der richtigen Reihenfolge. Beantwoordt u de vragen in de juiste volgorde.
Bijvoeglijk naamwoord (12)
genau precies Bijvoeglijk naamwoord A2 Das ist genau die richtige Menge. Dat is precies de goede hoeveelheid.
mehrere verscheidene, meerdere Bijvoeglijk naamwoord B1 Mehrere Leute haben sich gemeldet. Meerdere mensen hebben zich gemeld.
doppelt dubbel Bijvoeglijk naamwoord B1 Das kostet doppelt so viel. Dat kost twee keer zoveel.
fein fijn Bijvoeglijk naamwoord B1 Der Sand am Strand ist ganz fein. Het zand op het strand is heel fijn.
grob grof Bijvoeglijk naamwoord B1 Die Zwiebeln grob schneiden. De uien grof snijden.
glatt glad Bijvoeglijk naamwoord B1 Im Winter sind die Straßen oft glatt. In de winter zijn de wegen vaak glad.
schräg scheef, schuin Bijvoeglijk naamwoord B1 Das Bild hängt schräg. Het schilderij hangt scheef.
senkrecht loodrecht, verticaal Bijvoeglijk naamwoord B1 Die Wand muss ganz senkrecht sein. De muur moet helemaal loodrecht zijn.
waagerecht waterpas, horizontaal Bijvoeglijk naamwoord B1 Das Regal hängt nicht waagerecht. De plank hangt niet waterpas.
steil steil Bijvoeglijk naamwoord B1 Der Weg zur Burg ist sehr steil. De weg naar de burcht is heel steil.
winzig piepklein Bijvoeglijk naamwoord B1 Das Zimmer im Hotel war winzig. De hotelkamer was piepklein.
gleichmäßig gelijkmatig Bijvoeglijk naamwoord B1 Den Teig gleichmäßig auf dem Blech verteilen. Het deeg gelijkmatig over de bakplaat verdelen.
Terug naar de overhoring ↑
Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.
Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining
De overhoring heeft JavaScript nodig. Alles hierboven werkt ook zonder.
← Post en pakketten Werkwoorden van beweging →