Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 40

Kleding in het Duits

Wat je draagt, wat het kost en hoe je in het Duits iets aantrekt.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (40), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Bij kleding ligt het Duits dicht bij het Nederlands: tragen is “dragen”, der Schuh is “schoen” en die Hose is net als “broek” één woord in het enkelvoud. Ook anziehen werkt als “aantrekken”: het voorvoegsel gaat naar het eind, Ich ziehe die Jacke an. Alleen zet het Duits er vaak een wederkerend voornaamwoord bij, in de Dativ als er al een lijdend voorwerp is: Ich ziehe mir eine Jacke an. De echte valkuilen zijn de valse vrienden. Das Kleid is een jurk en geen kleed, bequem is comfortabel en niet bekwaam, en billig is goedkoop, niet billijk. En wie in de winkel iets wil passen, zegt anprobieren: passen betekent in het Duits alleen “goed zitten”.

De woorden

Werkwoord (6)

tragendragen (kleding); dragen, sjouwenWerkwoordA1
Sie trägt heute Schwarz.Ze draagt vandaag zwart.

Sterk werkwoord: du trägst, er trägt, trug, getragen. Net als “dragen” voor kleding en voor een last.

Vervoeging van tragen →

sich anziehenzich aankleden; aantrekkenWerkwoordA1
Zieh dir bitte etwas Warmes an.Trek alsjeblieft iets warms aan.

Scheidbaar, zoals “aantrekken”. Met een lijdend voorwerp staat het wederkerend voornaamwoord in de Dativ: Ich ziehe mir die Jacke an.

sich ausziehenzich uitkleden; uittrekkenWerkwoordA2
Zieh die nassen Schuhe aus.Trek die natte schoenen uit.

Gebouwd als anziehen: Ich ziehe mich aus, “ik kleed me uit”.

passenpassen, goed zitten; schikkenWerkwoordA1
Die Hose passt mir nicht.De broek past me niet.

Betekent alleen “goed zitten”; “een broek passen” in de winkel is anprobieren. De persoon staat in de Dativ: Das passt mir.

Vervoeging van passen →

anprobierenpassen (kleding)WerkwoordA2
Darf ich das anprobieren?Mag ik dit passen?

Scheidbaar, maar het voltooid deelwoord krijgt geen ge-: anprobiert, want werkwoorden op -ieren krijgen nooit ge-.

umtauschenruilen, omruilenWerkwoordA2
Kann ich das umtauschen?Kan ik dit ruilen?

Scheidbaar: Ich tausche die Hose um. Bewaar de kassabon, den Kassenbon.

Zelfstandig naamwoord (26)

die Kleidungkleding, klerenZelfstandig naamwoordA1
Nimm warme Kleidung mit.Neem warme kleren mee.

Geen meervoud. In de spreektaal zeg je die Sachen of die Klamotten.

das HemdoverhemdZelfstandig naamwoordA1
Das Hemd muss gebügelt werden.Het overhemd moet gestreken worden.

Meestal het overhemd, niet het onderhemd: dat is das Unterhemd. Meervoud: die Hemden.

die HosebroekZelfstandig naamwoordA1
Diese Hose ist mir zu eng.Deze broek zit me te strak.

Net als “broek” enkelvoud: eine Hose is één broek. Meervoud: die Hosen.

der RockrokZelfstandig naamwoordA1
Der Rock ist etwas zu kurz.De rok is iets te kort.

Meervoud met Umlaut: die Röcke.

das KleidjurkZelfstandig naamwoordA1
Das Kleid steht dir gut.De jurk staat je goed.

Valse vriend: geen kleed (dat is der Teppich of die Decke). Het meervoud die Kleider betekent ook “kleren”.

die Jackejas, jasje, jackZelfstandig naamwoordA1
Zieh dir eine Jacke an.Trek een jas aan.

Meervoud: die Jacken. Een lange, warme jas is der Mantel.

der Manteljas, mantelZelfstandig naamwoordA1
Mein Mantel hängt an der Garderobe.Mijn jas hangt aan de kapstok.

Meervoud met Umlaut: die Mäntel.

der PullovertruiZelfstandig naamwoordA1
Der Pullover ist aus Wolle.De trui is van wol.

Vaak kort der Pulli. Meervoud: die Pullover, zonder uitgang.

das T-ShirtT-shirtZelfstandig naamwoordA1
Er trägt immer das gleiche T-Shirt.Hij draagt altijd hetzelfde T-shirt.

In het Duits met een hoofdletter S, zoals elk zelfstandig naamwoord.

der SchuhschoenZelfstandig naamwoordA1
Die Schuhe sind zu klein.De schoenen zijn te klein.
die SockesokZelfstandig naamwoordA1
Ich finde nur eine Socke.Ik kan maar één sok vinden.
der HuthoedZelfstandig naamwoordA2
Setz den Hut auf, es ist heiß.Zet je hoed op, het is heet.

Valse vriend: een hut is die Hütte. Meervoud: die Hüte.

die Mützemuts, petZelfstandig naamwoordA2
Ohne Mütze wird dir kalt.Zonder muts krijg je het koud.
der SchalsjaalZelfstandig naamwoordA2
Der Schal liegt noch im Auto.De sjaal ligt nog in de auto.
der HandschuhhandschoenZelfstandig naamwoordA2
Ich habe einen Handschuh verloren.Ik ben een handschoen kwijtgeraakt.

Opgebouwd als het Nederlandse woord: Hand + Schuh. Meervoud: die Handschuhe.

die BrillebrilZelfstandig naamwoordA1
Meine Brille ist kaputt.Mijn bril is kapot.

Net als “bril” enkelvoud: eine Brille. Maar vrouwelijk: die Brille.

die Taschetas; zak (in een kledingstuk)Zelfstandig naamwoordA1
Die Tasche ist ziemlich schwer.De tas is behoorlijk zwaar.

Ook de zak in je broek of jas: in der Hosentasche, “in je broekzak”. Meervoud: die Taschen.

der Gürtelriem, ceintuurZelfstandig naamwoordA2
Der Gürtel passt nicht mehr.De riem past niet meer.

Verwant aan “gordel”; de autogordel is der Sicherheitsgurt. Meervoud: die Gürtel.

die Umkleidekabinepaskamer, kleedhokjeZelfstandig naamwoordA2
Die Umkleidekabine ist dort hinten.De paskamer is daar achterin.
die KassekassaZelfstandig naamwoordA1
Bitte an der Kasse bezahlen.Graag bij de kassa betalen.

Ook de ziektekostenverzekeraar: die Krankenkasse. Meervoud: die Kassen.

der PreisprijsZelfstandig naamwoordA1
Der Preis steht auf dem Etikett.De prijs staat op het etiket.

Net als “prijs” ook de prijs die je wint.

der Stoffstof (textiel), materiaalZelfstandig naamwoordA2
Der Stoff fühlt sich weich an.De stof voelt zacht aan.

Alleen de stof van kleding of een materie. Het stof op de kast is der Staub. Meervoud: die Stoffe.

die BaumwollekatoenZelfstandig naamwoordA2
Das Hemd ist aus reiner Baumwolle.Het overhemd is van zuiver katoen.

Letterlijk “boomwol”. Geen meervoud.

die WollewolZelfstandig naamwoordA2
Wolle darf nicht in die Waschmaschine.Wol mag niet in de wasmachine.
das LederleerZelfstandig naamwoordA2
Die Tasche ist aus Leder.De tas is van leer.

Onzijdig, zoals “het leer”. Een leren tas: eine Ledertasche.

das Geschenkcadeau, geschenkZelfstandig naamwoordA1
Ich suche noch ein Geschenk.Ik zoek nog een cadeau.

Meervoud: die Geschenke.

Bijvoeglijk naamwoord (8)

teuerduurBijvoeglijk naamwoordA1
Das ist mir zu teuer.Dat is me te duur.

Voor een uitgang valt de tweede e weg: ein teures Hemd.

billiggoedkoopBijvoeglijk naamwoordA1
Billig ist nicht immer günstig.Goedkoop is niet altijd voordelig.

Valse vriend: niet “billijk” (dat is angemessen of fair). Klinkt vaak naar slechte kwaliteit; neutraal is günstig.

günstigvoordelig, gunstig geprijsdBijvoeglijk naamwoordA2
Das Angebot ist wirklich günstig.De aanbieding is echt voordelig.

Bij prijzen betekent het gewoon “voordelig”, niet alleen “gunstig”.

weichzachtBijvoeglijk naamwoordA1
Der Pullover ist sehr weich.De trui is heel zacht.
harthard; stijfBijvoeglijk naamwoordA1
Die Schuhe sind noch ziemlich hart.De schoenen zijn nog behoorlijk stijf.

Vergrotende trap met Umlaut: härter. “Hart” als orgaan is das Herz.

bequemcomfortabel, gemakkelijk; luiBijvoeglijk naamwoordA1
Diese Schuhe sind sehr bequem.Deze schoenen zitten heel lekker.

Valse vriend: niet “bekwaam” (dat is fähig). Over een mens betekent bequem “gemakzuchtig”.

schmutzigvuil, viesBijvoeglijk naamwoordA2
Die Jacke ist schmutzig geworden.De jas is vuil geworden.
modischmodieusBijvoeglijk naamwoordB1
Der Schnitt ist sehr modisch.De snit is heel modieus.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Kleding — lijsten: een, woorden: 40; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining