Luistertraining: Duits verstaan
Tien korte opdrachten per ronde: een woord herkennen, een gat in een zin horen, de beklemtoonde lettergreep vinden, twee klanken die op elkaar lijken uit elkaar houden, een dialoog volgen. Jij bepaalt wanneer er iets klinkt — en of dat langzaam of normaal is.
Goed luisteren helpt bij het spreken.
Luistertraining
Met “Meelezen” zie je bij elke opdracht meteen de tekst. Goed om aan de klank te wennen; er wordt dan niet geteld, want het is geen luistertoets meer.
Of oefen gericht
Waarom in kleine stappen
Wie een vreemde taal hoort, moet eerst klanken herkennen, dan woordgrenzen, dan de betekenis. De training oefent die stappen los — en in de gemengde ronde samen. De terugkoppeling komt meteen, zodat je oor leert waar het aan lag.
Langzaam is geen stap terug
In het begin helpt een lager tempo aantoonbaar bij het verstaan. Luister gerust twee keer naar een opdracht, eerst langzaam, dan normaal: het doel is het normale tempo, de weg ernaartoe mag langzaam zijn.
Waarom verschillende stemmen
Wie woorden van veel sprekers hoort, herkent ze later ook bij onbekenden. Daarom wisselt de training tussen de stemmen die je browser voor de taal heeft. Het zijn stemmen van de spraakweergave, geen opnames, en er klinkt alleen iets als je op een knop drukt.
Zonder geluid of met een gehoorbeperking
Elke opdracht heeft een knop “Toon tekst”, en de schakelaar “Meelezen” toont de tekst altijd. Alles werkt met het toetsenbord: Tab naar de knoppen, cijfers voor de antwoorden, Enter om verder te gaan.
Voorbeeldzinnen
A1 Kannst du bitte das Fenster aufmachen?Kun je het raam even opendoen?
A1 Die Schule fängt um acht an.De school begint om acht uur.
A1 Frag doch einfach den Schaffner.Vraag het gewoon aan de conducteur.
A1 Die Bedienung war ausgesprochen freundlich.De bediening was bijzonder vriendelijk.
A2 Sie hat hohes Fieber.Ze heeft hoge koorts.
A2 Wir steigen an der nächsten Station aus.We stappen bij de volgende halte uit.
A2 Das macht richtig Spaß.Dat is echt leuk.
A2 Das ist typisch für ihn.Dat is typisch iets voor hem.
B1 Die beiden helfen sich gegenseitig.Die twee helpen elkaar.
B1 Im Grundriss sieht das größer aus.Op de plattegrond lijkt het groter.
B1 Im Formular müssen Sie Ihr Alter angeben.Op het formulier moet u uw leeftijd vermelden.
B1 Die Nadel liegt in der Schublade.De naald ligt in de la.