A1 · Woorden: 43
Eten en drinken in het Duits
Ontbijt, brood, koffie — en hoe je in een restaurant bestelt.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (43), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Brood is in Duitsland een thema op zich: das Brotis het grote brooddas Brötchenhet kleine broodje dat je ’s ochtends bij de bakker haalt In Zuid-Duitsland en Oostenrijk heet het die Semmel. Smaak drukt het Duits uit met schmecken: Das schmeckt gut. En wie iets lust, zegt Ich mag Käse: mögen lijkt op “mogen”, maar betekent “lusten, houden van”.
De woorden
Werkwoord (6)
essenetenWerkwoordA1
Sterk: du isst, er isst; aß – gegessen.
trinkendrinkenWerkwoordA1
bestellenbestellenWerkwoordA1
nehmennemenWerkwoordA1
kostenkostenWerkwoordA1
schmeckensmakenWerkwoordA1
Zelfstandig naamwoord (33)
das Essenhet eten, de maaltijdZelfstandig naamwoordA1
das Frühstückhet ontbijtZelfstandig naamwoordA1
das Mittagessende lunch, het middagetenZelfstandig naamwoordA1
In Duitsland vaak de warme maaltijd.
das Abendessenhet avondetenZelfstandig naamwoordA1
das Brothet broodZelfstandig naamwoordA1
das Brötchenhet broodjeZelfstandig naamwoordA1
die Butterde boterZelfstandig naamwoordA1
Vrouwelijk: die Butter.
der Käsede kaasZelfstandig naamwoordA1
das Eihet eiZelfstandig naamwoordA1
das Fleischhet vleesZelfstandig naamwoordA1
der Fischde visZelfstandig naamwoordA1
das Gemüsede groenteZelfstandig naamwoordA1
Enkelvoud voor alle groente samen.
das Obsthet fruitZelfstandig naamwoordA1
der Apfelde appelZelfstandig naamwoordA1
Meervoud met Umlaut: die Äpfel.
die Kartoffelde aardappelZelfstandig naamwoordA1
die Suppede soepZelfstandig naamwoordA1
der Salatde salade, de slaZelfstandig naamwoordA1
der Zuckerde suikerZelfstandig naamwoordA1
das Salzhet zoutZelfstandig naamwoordA1
das Wasserhet waterZelfstandig naamwoordA1
Mineraalwater heeft in Duitsland meestal prik: vraag ohne Kohlensäure of still.
der Kaffeede koffieZelfstandig naamwoordA1
der Teede theeZelfstandig naamwoordA1
die Milchde melkZelfstandig naamwoordA1
Vrouwelijk: die Milch.
der Safthet sapZelfstandig naamwoordA1
das Bierhet bierZelfstandig naamwoordA1
der Weinde wijnZelfstandig naamwoordA1
das Restauranthet restaurantZelfstandig naamwoordA1
die Speisekartede menukaartZelfstandig naamwoordA1
das Menü is een vast menu.
die Rechnungde rekeningZelfstandig naamwoordA1
der Durstde dorstZelfstandig naamwoordA1
die Schokoladede chocoladeZelfstandig naamwoordA1
das Getränkde drank, het drankjeZelfstandig naamwoordA1
die Lebensmittelde levensmiddelen, de boodschappenZelfstandig naamwoordA2
Meestal meervoud.
Bijvoeglijk naamwoord (4)
hungrighongerigBijvoeglijk naamwoordA1
Gewoner is Hunger haben.
leckerlekkerBijvoeglijk naamwoordA1
Alleen voor eten en drinken; “lekker weer” is schönes Wetter.
süßzoetBijvoeglijk naamwoordA1
kaltkoudBijvoeglijk naamwoordA1
Deze lijst hoort bij Eten en drinken — lijsten: vier, woorden: 162; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.