A2 · Woorden: 42
Boodschappen en geld in het Duits
Betalen, de bon, statiegeld, ruilen — winkelen in Duitsland.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (42), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
In Duitsland betaal je vaker contant dan in Nederland of Vlaanderen; vooral in kleine zaken en op de markt is Bargeld handig. Op flessen en blikjes zit bijna altijd statiegeld, das Pfand. Valse vrienden in de winkel: die Tüte is een tasje of zakje, das Angebot een aanbieding, en reklamieren betekent “klagen over een gebrek”, niet reclame maken.
De woorden
Werkwoord (13)
einkaufenboodschappen doenWerkwoordA1
zahlenbetalenWerkwoordA1
besorgenhalen, regelenWerkwoordA2
aussuchenuitkiezenWerkwoordA2
liefernleveren, bezorgenWerkwoordA2
empfehlenaanradenWerkwoordA2
vergleichenvergelijkenWerkwoordB1
sparensparen, besparenWerkwoordA2
ausgebenuitgevenWerkwoordA2
kaputtgehenkapotgaanWerkwoordA2
reklamiereneen klacht indienen, terugbrengenWerkwoordB1
Valse vriend: heeft niets met reclame te maken.
wechselnwisselen; veranderenWerkwoordA2
tauschenruilenWerkwoordA2
Bijwoord (1)
getrenntapart, gescheidenBijwoordA2
Zelfstandig naamwoord (23)
das Geldhet geldZelfstandig naamwoordA1
das Bargeldhet contant geldZelfstandig naamwoordA2
die Kartede kaart, de pinpasZelfstandig naamwoordA1
der Eurode euroZelfstandig naamwoordA1
der Centde centZelfstandig naamwoordA1
das Kleingeldhet kleingeldZelfstandig naamwoordA2
der Kassenbonde kassabonZelfstandig naamwoordA2
die Quittungde kwitantie, het betalingsbewijsZelfstandig naamwoordB1
der Marktde marktZelfstandig naamwoordA1
die Bäckereide bakkerijZelfstandig naamwoordA1
die Metzgereide slagerijZelfstandig naamwoordA2
In Noord-Duitsland ook die Schlachterei of die Fleischerei.
die Drogeriede drogisterijZelfstandig naamwoordA2
die Öffnungszeitende openingstijdenZelfstandig naamwoordA2
das Angebotde aanbiedingZelfstandig naamwoordA2
das Regalhet schap, de plankZelfstandig naamwoordA2
die Tütehet tasje, het zakjeZelfstandig naamwoordA2
der Einkaufswagenhet winkelwagentjeZelfstandig naamwoordA2
das Pfandhet statiegeldZelfstandig naamwoordA2
die Flaschede flesZelfstandig naamwoordA1
die Packunghet pak, de verpakkingZelfstandig naamwoordA2
das Stückhet stukZelfstandig naamwoordA1
drei Stück: na een getal geen meervoud.
das Haltbarkeitsdatumde houdbaarheidsdatumZelfstandig naamwoordB1
die Garantiede garantieZelfstandig naamwoordB1
Bijvoeglijk naamwoord (5)
geöffnetopen, geopendBijvoeglijk naamwoordA1
geschlossengeslotenBijvoeglijk naamwoordA1
reduziertafgeprijsdBijvoeglijk naamwoordA2
kostenlosgratisBijvoeglijk naamwoordA2
frischversBijvoeglijk naamwoordA1
Ook “fris” (koel): frische Luft.
Deze lijst hoort bij Werk, geld en winkelen — lijsten: drie, woorden: 151; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.