Startpagina › Woordenschat › Werk, geld en winkelen › Bank en geldzaken
B1 · Woorden: 45
Bank en geldzaken in het Duits
Rekening, overschrijving, pinautomaat, verzekering — geld regelen in het Duits.
Oefen deze lijst
Zo kun je oefenen
Uit deze woorden (45), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst In Duitsland betaal je vaste lasten vaak met die Lastschrift (automatische incasso) of der Dauerauftrag (periodieke overboeking). Contant geld haal je bij der Geldautomat ; pinnen is mit Karte zahlen . Valse vrienden: die Rente is het pensioen (niet de rente — dat is die Zinsen ), en der Kredit is een lening.
De woorden
Weergave Beknopt Met voorbeelden
Werkwoord (11)
eröffnen openen Werkwoord B1
überweisen overmaken Werkwoord B1 Ich überweise Ihnen den Betrag morgen. Ik maak het bedrag morgen naar u over.
abbuchen afschrijven Werkwoord B1 Der Beitrag wird jährlich abgebucht. De contributie wordt jaarlijks afgeschreven.
abheben opnemen (geld) Werkwoord B1 Ich muss noch Geld abheben. Ik moet nog geld opnemen.
einzahlen storten Werkwoord B1 Bargeld kann man am Schalter einzahlen. Contant geld kun je aan het loket storten.
melden melden Werkwoord B1
sperren blokkeren Werkwoord B1
sich lohnen lonen, de moeite waard zijn Werkwoord B1
finanzieren financieren Werkwoord B1 Wie wollt ihr das Haus finanzieren? Hoe willen jullie het huis financieren?
erhöhen verhogen Werkwoord B1 Die Bank will die Gebühren erhöhen. De bank wil de kosten verhogen.
versichern verzekeren Werkwoord B1 Ist dein Fahrrad versichert? Is je fiets verzekerd?
Bijwoord (1)
umsonst gratis; voor niets Bijwoord B1 Das Konto ist für Studierende umsonst. De rekening is gratis voor studenten.
Zelfstandig naamwoord (29)
das Konto de rekening Zelfstandig naamwoord B1 Ich möchte ein Konto eröffnen. Ik wil graag een rekening openen.
die Überweisung de overschrijving, de overboeking Zelfstandig naamwoord B1 Die Überweisung ist noch nicht angekommen. De overboeking is nog niet binnen.
die IBAN het IBAN-nummer Zelfstandig naamwoord B1 Meine IBAN fängt mit DE an. Mijn IBAN begint met DE.
der Betrag het bedrag Zelfstandig naamwoord B1 Der Betrag wird morgen abgebucht. Het bedrag wordt morgen afgeschreven.
der Dauerauftrag de periodieke overboeking Zelfstandig naamwoord B1 Die Miete läuft über einen Dauerauftrag. De huur gaat via een periodieke overboeking.
die Lastschrift de automatische incasso Zelfstandig naamwoord B1 Für den Strom habe ich eine Lastschrift erteilt. Voor de stroom heb ik een machtiging voor automatische incasso gegeven.
die EC-Karte de pinpas Zelfstandig naamwoord A2 Kann ich mit EC-Karte zahlen? Kan ik met de pinpas betalen?
Officieel die Girocard , maar iedereen zegt EC-Karte .
der Geldautomat de geldautomaat, de pinautomaat Zelfstandig naamwoord A2 Der nächste Geldautomat ist am Bahnhof. De dichtstbijzijnde geldautomaat is bij het station.
der Kontostand het saldo Zelfstandig naamwoord B1 Der Kontostand sieht besser aus als erwartet. Het saldo ziet er beter uit dan verwacht.
das Guthaben het tegoed Zelfstandig naamwoord B1 Auf der Karte ist noch Guthaben. Er staat nog tegoed op de kaart.
die Gutschrift de creditering, de creditnota Zelfstandig naamwoord B1 Sie bekommen eine Gutschrift über zwanzig Euro. U krijgt een creditnota van twintig euro.
die Mahnung de aanmaning Zelfstandig naamwoord B1 Die zweite Mahnung kostet extra. De tweede aanmaning kost extra.
die Rate de termijn, de afbetaling Zelfstandig naamwoord B1 Wir zahlen in zwölf Raten. We betalen in twaalf termijnen.
der Kredit de lening, het krediet Zelfstandig naamwoord B1 Für den Kredit braucht die Bank Sicherheiten. Voor de lening wil de bank zekerheden.
die Zinsen de rente Zelfstandig naamwoord B1 Die Zinsen sind wieder gestiegen. De rente is weer gestegen.
Meervoud; valse vriend met die Rente .
die Schulden de schulden Zelfstandig naamwoord B1 Er hat die Schulden inzwischen abbezahlt. Hij heeft de schulden intussen afbetaald.
das Sparbuch het spaarboekje Zelfstandig naamwoord B1 Das Sparbuch bringt kaum noch etwas. Het spaarboekje levert bijna niets meer op.
die Rente het pensioen Zelfstandig naamwoord B1 Mit siebenundsechzig geht sie in Rente. Met zevenenzestig gaat ze met pensioen.
Valse vriend: niet “rente”.
die Versicherung de verzekering Zelfstandig naamwoord B1 Die Versicherung zahlt den Schaden. De verzekering betaalt de schade.
der Beitrag de bijdrage, de premie Zelfstandig naamwoord B1 Der Beitrag steigt zum Jahreswechsel. De premie stijgt per het nieuwe jaar.
der Schaden de schade Zelfstandig naamwoord B1 Den Schaden müssen Sie sofort melden. De schade moet u meteen melden.
der Verlust het verlies Zelfstandig naamwoord B1 Der Verlust wurde der Polizei gemeldet. Het verlies is bij de politie gemeld.
der Kontoauszug het rekeningafschrift Zelfstandig naamwoord B1 Den Kontoauszug kann man am Automaten ausdrucken. Het afschrift kun je bij de automaat afdrukken.
die Gebührenordnung de tarievenlijst Zelfstandig naamwoord B1 Die Gebührenordnung hängt in der Filiale aus. De tarievenlijst hangt in het filiaal.
die Filiale het filiaal Zelfstandig naamwoord B1 Die Filiale in unserem Ort hat zugemacht. Het filiaal in ons dorp is gesloten.
der Auftrag de opdracht Zelfstandig naamwoord B1 Der Auftrag wurde ausgeführt. De opdracht is uitgevoerd.
der Freistellungsauftrag de vrijstellingsopdracht (belasting op rente) Zelfstandig naamwoord B1 Ohne Freistellungsauftrag zieht die Bank Steuer ab. Zonder vrijstellingsopdracht houdt de bank belasting in.
Een Duitse regeling: tot een bepaald bedrag wordt over rente geen belasting ingehouden.
der Auszug het afschrift; het uittreksel; de verhuizing Zelfstandig naamwoord B1 Den Auszug drucke ich am Automaten aus. Het afschrift druk ik bij de automaat af.
die Erhöhung de verhoging Zelfstandig naamwoord B1 Ab Januar gibt es eine Erhöhung der Miete. Vanaf januari komt er een huurverhoging.
Bijvoeglijk naamwoord (3)
fällig verschuldigd, te betalen Bijvoeglijk naamwoord B1 Die Rate ist am Ersten fällig. De termijn moet op de eerste betaald worden.
bar contant Bijvoeglijk naamwoord A2 Zahlen Sie bar oder mit Karte? Betaalt u contant of met de kaart?
schriftlich schriftelijk Bijvoeglijk naamwoord B1 Die Kündigung muss schriftlich erfolgen. De opzegging moet schriftelijk gebeuren.
Uitdrukking (1)
bestätigen lassen laten bevestigen Uitdrukking B1 Lassen Sie sich das schriftlich bestätigen. Laat het u schriftelijk bevestigen.
Terug naar de overhoring ↑
Deze lijst hoort bij Werk, geld en winkelen — lijsten: drie, woorden: 151; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.
Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining
De overhoring heeft JavaScript nodig. Alles hierboven werkt ook zonder.
← Een woning zoeken Bij de dokter →