A1VerhaalDagelijks leven1 min.
Meine Familie
Een meisje stelt haar familie voor, persoon voor persoon.
Familiewoorden en het bezittelijk voornaamwoord mein, meine. Het Nederlandse “mijn” verandert niet; het Duitse wel, met het geslacht: mein Vater, meine Mutter, mein Bruder. En na mit volgt de Dativ: mit meiner Familie.
Ich heiße Mia und bin zehn Jahre alt. Ich wohne mit meiner Familie in einer Wohnung in der Stadt.
Mein Vater ist Arzt. Er arbeitet im Krankenhaus und kommt oft spät nach Hause. Meine Mutter ist Lehrerin.
Ich habe einen Bruder. Er heißt Paul und ist vierzehn. Paul fährt gern Fahrrad. Ich lese lieber Bücher.
Wir haben auch eine Katze. Sie ist schwarz und schläft den ganzen Tag auf dem Sofa.
Klik op een woord om het op te zoeken in de woordenschat van deze site.
- Woorden
- 71
- Zinnen
- 11
- Woorden per zin
- 6,5
- in de woordenschat
- 100 %
- gemeten niveau
- A1
- Leestijd
- 1 min.
De woorden vanaf A1 in deze tekst
Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: allemaal (29) van de verschillende woorden in deze tekst (57) staan op A1 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.
alt
oud
A1arbeiten
werken
A1das Buch
het boek
A1das Fahrrad
de fiets
A1das Haus
het huis
A1das Jahr
het jaar
A1das Krankenhaus
het ziekenhuis
A2das Sofa
de bank, de sofa
A1der Arzt
de arts, de dokter
A1der Bruder
de broer
A1der Lehrer
de leraar
A1der Tag
de dag
A1der Vater
de vader
A1die Familie
het gezin, de familie
A1die Katze
de kat
A1die Mutter
de moeder
A1die Stadt
de stad
A1die Wohnung
de woning, het appartement
A1fahren
rijden; gaan (met een voertuig)
A1gern
graag
A1heißen
heten; betekenen
A1kommen
komen
A1lesen
lezen
A1oft
vaak
A1schlafen
slapen
A1schwarz
zwart
A1spät
laat
A1wohnen
wonen
A1zehn
tien
A1
De woordenlijsten bij deze tekst
De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 10); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · kommen · fahren · arbeiten · lesen · wohnen · schlafen
Begripsvragen
Vragen bij de tekst: 3. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.
1. Was ist Mias Vater von Beruf?
Mein Vater ist Arzt
2. Wie alt ist Paul?
ist vierzehn
3. Wo schläft die Katze?
schläft den ganzen Tag auf dem Sofa