Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 48

De woning en het huishouden in het Duits

Kamers, meubels, schoonmaken — en waar je iets neerlegt of neerzet.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (48), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

De kamers heten in het Duits vaak naar wat je er doet: das Wohnzimmer, das Schlafzimmer, das Badezimmer of kort das Bad. Let op: die Wohnung is een appartement of woning, niet de woonkamer. Voor “zetten” en “leggen” heeft het Duits stellen en legen, en voor de plek waar iets is stehen en liegen, net als in het Nederlands. Alleen staat er na het voorzetsel een andere naamval: in den Kühlschrank(waarheen)im Kühlschrank(waar)

De woorden

Werkwoord (12)

liegenliggenWerkwoordA1
Das Buch liegt auf dem Tisch.Het boek ligt op tafel.

Vervoeging van liegen →

stehenstaanWerkwoordA1
Die Flasche steht im Kühlschrank.De fles staat in de koelkast.

Vervoeging van stehen →

hängenhangenWerkwoordA2
Das Bild hängt über dem Sofa.Het schilderij hangt boven de bank.

Vervoeging van hängen →

sitzenzittenWerkwoordA1
Wir sitzen auf dem Balkon.We zitten op het balkon.

Vervoeging van sitzen →

stellenzetten (rechtop)WerkwoordA2
Stell die Flasche bitte in den Kühlschrank.Zet de fles alsjeblieft in de koelkast.

Vervoeging van stellen →

legenleggenWerkwoordA2
Ich lege den Schlüssel auf den Tisch.Ik leg de sleutel op tafel.

Vervoeging van legen →

aufräumenopruimenWerkwoordA2
Räum bitte dein Zimmer auf.Ruim alsjeblieft je kamer op.
putzenschoonmaken, poetsenWerkwoordA2
Am Samstag putzen wir die Fenster.Op zaterdag lappen we de ramen.

Algemeen “schoonmaken”: das Bad putzen, Zähne putzen.

waschenwassenWerkwoordA2
Ich wasche die Wäsche am Wochenende.Ik doe de was in het weekend.

Vervoeging van waschen →

umziehenverhuizenWerkwoordA2
Wir ziehen nächsten Monat um.We verhuizen volgende maand.

sich umziehen is “zich omkleden”.

aufmachenopendoenWerkwoordA1
Kannst du bitte das Fenster aufmachen?Kun je het raam even opendoen?
deckendekkenWerkwoordA2
Kannst du bitte den Tisch decken?Kun je de tafel dekken?

Vervoeging van decken →

Bijwoord (1)

drinerinBijwoordA2
Die Tasche ist leer, nichts ist drin.De tas is leeg, er zit niets in.

Zelfstandig naamwoord (29)

die Wohnungde woning, het appartementZelfstandig naamwoordA1
Die Wohnung hat drei Zimmer und einen Balkon.Het appartement heeft drie kamers en een balkon.
das Haushet huisZelfstandig naamwoordA1
Das Haus ist über hundert Jahre alt.Het huis is meer dan honderd jaar oud.
das Zimmerde kamerZelfstandig naamwoordA1
Mein Zimmer geht nach hinten hinaus.Mijn kamer ligt aan de achterkant.
die Küchede keukenZelfstandig naamwoordA1
In der Küche ist es warm.In de keuken is het warm.
das Badde badkamerZelfstandig naamwoordA1
Das Bad ist am Ende des Flurs.De badkamer is aan het eind van de gang.

Kort voor das Badezimmer; ook “het bad”.

das Schlafzimmerde slaapkamerZelfstandig naamwoordA1
Das Schlafzimmer ist sehr ruhig.De slaapkamer is heel rustig.
das Wohnzimmerde woonkamerZelfstandig naamwoordA1
Wir sitzen meistens im Wohnzimmer.We zitten meestal in de woonkamer.
der Flurde gang, de halZelfstandig naamwoordA2
Die Schuhe stehen im Flur.De schoenen staan in de gang.
der Balkonhet balkonZelfstandig naamwoordA2
Auf dem Balkon steht ein kleiner Tisch.Op het balkon staat een tafeltje.
der Gartende tuinZelfstandig naamwoordA1
Die Kinder spielen im Garten.De kinderen spelen in de tuin.
die Türde deurZelfstandig naamwoordA1
Mach bitte die Tür zu.Doe de deur alsjeblieft dicht.
das Fensterhet raamZelfstandig naamwoordA1
Das Fenster steht offen.Het raam staat open.
der Tischde tafelZelfstandig naamwoordA1
Der Tisch ist zu klein für sechs Personen.De tafel is te klein voor zes personen.

Mannelijk: der Tisch.

der Stuhlde stoelZelfstandig naamwoordA1
Nimm dir bitte einen Stuhl.Pak alsjeblieft een stoel.
das Betthet bedZelfstandig naamwoordA1
Das Bett ist noch nicht gemacht.Het bed is nog niet opgemaakt.
der Schrankde kastZelfstandig naamwoordA1
Die Teller sind im Schrank.De borden staan in de kast.
das Sofade bank, de sofaZelfstandig naamwoordA1
Auf dem Sofa liegt eine Katze.Op de bank ligt een kat.

Ook die Couch; die Bank is een bankje buiten of een bank voor geld.

die Lampede lampZelfstandig naamwoordA1
Die Lampe im Flur ist kaputt.De lamp in de gang is kapot.
der Kühlschrankde koelkastZelfstandig naamwoordA1
Der Kühlschrank ist fast leer.De koelkast is bijna leeg.
die Waschmaschinede wasmachineZelfstandig naamwoordA2
Die Waschmaschine läuft noch.De wasmachine draait nog.
der Schlüsselde sleutelZelfstandig naamwoordA1
Ich habe meinen Schlüssel vergessen.Ik ben mijn sleutel vergeten.
die Mietede huurZelfstandig naamwoordA2
Die Miete ist im letzten Jahr gestiegen.De huur is vorig jaar gestegen.
der Kellerde kelderZelfstandig naamwoordA2
Die Fahrräder stehen im Keller.De fietsen staan in de kelder.
die Treppede trapZelfstandig naamwoordA1
Die Treppe ist ziemlich steil.De trap is behoorlijk steil.
die Möbelde meubelsZelfstandig naamwoordA2
Die Möbel sind alt, aber schön.De meubels zijn oud maar mooi.
die Deckede deken; het plafondZelfstandig naamwoordA2
Mir ist kalt, hast du eine Decke?Ik heb het koud, heb je een deken?
der Haushalthet huishoudenZelfstandig naamwoordA2
Wir teilen uns die Arbeit im Haushalt.We verdelen het werk in het huishouden.
die Haustürde voordeurZelfstandig naamwoordA2
Die Haustür ist offen.De voordeur staat open.
die Raumtemperaturde kamertemperatuurZelfstandig naamwoordB1
Die Butter sollte Raumtemperatur haben.De boter moet op kamertemperatuur zijn.

Bijvoeglijk naamwoord (6)

kaputtkapotBijvoeglijk naamwoordA1
Der Aufzug ist wieder kaputt.De lift is weer kapot.
sauberschoonBijvoeglijk naamwoordA1
Die Küche ist jetzt sauber.De keuken is nu schoon.

Valse vriend: “zuiver” is rein; schön is mooi.

gemütlichgezellig, knusBijvoeglijk naamwoordA2
Die Wohnung ist klein, aber gemütlich.De woning is klein maar gezellig.

Dicht bij “gezellig”, maar vooral voor plekken en sfeer.

helllichtBijvoeglijk naamwoordA1
Das Zimmer ist sehr hell.De kamer is heel licht.

Valse vriend: niet “hel”.

dunkeldonkerBijvoeglijk naamwoordA1
Im Flur ist es dunkel.In de gang is het donker.
engsmal, krapBijvoeglijk naamwoordA2
Die Treppe ist sehr eng.De trap is heel smal.

Valse vriend: niet “eng” (griezelig), dat is unheimlich.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Huis en wonen — lijsten: vier, woorden: 166; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining