Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

B1  ·  Woorden: 40

Dieren en planten in het Duits

Huisdieren, boerderij, bloemen, oogst — wat leeft en groeit.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (40), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Veel dierennamen lijken op het Nederlands, maar het geslacht verschilt: die Katze, der Hund, das Pferd, das Schwein. Jonge dieren krijgen vaak -chen en zijn dan onzijdig: das Kätzchen. Planten water geven heet gießen; wässern bestaat ook, maar is minder gewoon.

De woorden

Werkwoord (5)

bellenblaffenWerkwoordB1
Der Hund bellt die ganze Nacht.De hond blaft de hele nacht.

Valse vriend: niet “bellen” (dat is anrufen of klingeln).

fütternvoerenWerkwoordB1
Die Tiere werden zweimal täglich gefüttert.De dieren worden twee keer per dag gevoerd.
pflanzenplantenWerkwoordB1
Im Herbst pflanzt man die Zwiebeln.In de herfst plant je de bollen.
wachsengroeienWerkwoordA2
Hier wächst nichts außer Moos.Hier groeit niets behalve mos.

Vervoeging van wachsen →

gießenwater geven; gietenWerkwoordB1
Kannst du die Blumen gießen?Kun jij de bloemen water geven?

Vervoeging van gießen →

Zelfstandig naamwoord (31)

das Tierhet dierZelfstandig naamwoordA1
Im Zoo gibt es über tausend Tiere.In de dierentuin zijn meer dan duizend dieren.
das Haustierhet huisdierZelfstandig naamwoordA2
Haustiere sind in der Wohnung nicht erlaubt.Huisdieren zijn in de woning niet toegestaan.
der Hundde hondZelfstandig naamwoordA1
Der Hund muss dreimal am Tag raus.De hond moet drie keer per dag uit.
die Katzede katZelfstandig naamwoordA1
Die Katze schläft den halben Tag.De kat slaapt de halve dag.
der Vogelde vogelZelfstandig naamwoordA2
Ein Vogel sitzt auf dem Dach.Er zit een vogel op het dak.
das Pferdhet paardZelfstandig naamwoordA2
Das Pferd steht auf der Weide.Het paard staat in de wei.
die Kuhde koeZelfstandig naamwoordA2
Die Kühe kommen im Mai auf die Weide.De koeien gaan in mei de wei in.
das Schweinhet varkenZelfstandig naamwoordA2
Auf dem Hof gibt es auch Schweine.Op de boerderij zijn ook varkens.
das Schafhet schaapZelfstandig naamwoordA2
Die Schafe halten den Deich kurz.De schapen houden het gras op de dijk kort.
die Mausde muisZelfstandig naamwoordA2
Im Keller war eine Maus.In de kelder zat een muis.
das Insekthet insectZelfstandig naamwoordB1
Die Zahl der Insekten geht zurück.Het aantal insecten neemt af.
die Bienede bijZelfstandig naamwoordB1
Ohne Bienen wächst kaum Obst.Zonder bijen groeit er bijna geen fruit.
die Mückede mugZelfstandig naamwoordB1
Am See gibt es abends viele Mücken.Bij het meer zijn ’s avonds veel muggen.
der Käfigde kooiZelfstandig naamwoordB1
Der Käfig ist viel zu klein.De kooi is veel te klein.
die Rassehet rasZelfstandig naamwoordB1
Welche Rasse ist das?Welk ras is dat?
die Pflanzede plantZelfstandig naamwoordA2
Die Pflanze braucht mehr Licht.De plant heeft meer licht nodig.
die Blumede bloemZelfstandig naamwoordA1
Die Blumen brauchen jeden zweiten Tag Wasser.De bloemen hebben om de dag water nodig.
die Blütede bloesem, de bloeiZelfstandig naamwoordB1
Die Blüten fallen nach einer Woche ab.De bloesems vallen na een week af.
das Blatthet bladZelfstandig naamwoordB1
Im Herbst fallen die Blätter.In de herfst vallen de bladeren.
die Wurzelde wortel (van een plant)Zelfstandig naamwoordB1
Die Wurzeln heben den Gehweg an.De wortels duwen de stoep omhoog.

De groente “wortel” heet die Möhre of die Karotte.

der Zweigde tak, het twijgjeZelfstandig naamwoordB1
Ein Zweig ist auf das Auto gefallen.Er is een tak op de auto gevallen.
das Grashet grasZelfstandig naamwoordB1
Das Gras ist noch nass vom Tau.Het gras is nog nat van de dauw.
der Düngerde mest, de kunstmestZelfstandig naamwoordB1
Zu viel Dünger schadet mehr, als er nützt.Te veel mest doet meer kwaad dan goed.
die Fruchtde vruchtZelfstandig naamwoordB1
Die Früchte sind noch nicht reif.De vruchten zijn nog niet rijp.
der Samenhet zaadZelfstandig naamwoordB1
Die Samen keimen nach zwei Wochen.De zaadjes kiemen na twee weken.
die Erntede oogstZelfstandig naamwoordB1
Die Ernte fällt dieses Jahr klein aus.De oogst valt dit jaar klein uit.
der Bauernhofde boerderijZelfstandig naamwoordB1
Der Bauernhof gehört seit vier Generationen der Familie.De boerderij is al vier generaties van de familie.
das Kätzchenhet katjeZelfstandig naamwoordB1
Die Kätzchen sind erst vier Wochen alt.De katjes zijn pas vier weken oud.
der Zoode dierentuinZelfstandig naamwoordA2
Im Zoo war es rappelvoll.Het was stampvol in de dierentuin.
der Bärde beerZelfstandig naamwoordB1
Der Bär ist das Wappentier Berlins.De beer staat in het wapen van Berlijn.
das Nesthet nestZelfstandig naamwoordB1
Im Nest sitzen vier junge Vögel.In het nest zitten vier jonge vogels.

Bijvoeglijk naamwoord (4)

wildwildBijvoeglijk naamwoordB1
Wilde Tiere gehören nicht in die Wohnung.Wilde dieren horen niet in huis.
zahmtamBijvoeglijk naamwoordB1
Die Vögel im Park sind ziemlich zahm.De vogels in het park zijn behoorlijk tam.
reifrijpBijvoeglijk naamwoordB1
Die Tomaten sind endlich reif.De tomaten zijn eindelijk rijp.
artgerechtdiervriendelijk, soortspecifiekBijvoeglijk naamwoordB1
Die Haltung muss artgerecht sein.De dieren moeten passend bij hun soort worden gehouden.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Natuur, weer en dieren — lijsten: drie, woorden: 136; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining