Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A2  ·  Woorden: 55

Vrije tijd en sport in het Duits

Vereniging, wandelen, film, feest — wat je doet als je vrij bent.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (55), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

In Duitsland en Oostenrijk speelt het verenigingsleven een grote rol: wie sport, doet dat vaak im Verein. Een elftal is die Mannschaft, een doelpunt das Tor. Veel vrijetijdswerkwoorden zijn scheidbaar of hebben een vaste vorm: Ich sehe fern (ik kijk tv), Wir gehen spazieren, Das macht Spaß (dat is leuk).

De woorden

Werkwoord (24)

gewinnenwinnenWerkwoordA2
Sie haben zum ersten Mal gewonnen.Ze hebben voor het eerst gewonnen.

Vervoeging van gewinnen →

trainierentrainenWerkwoordB1
Sie trainiert dreimal die Woche.Ze traint drie keer per week.
schwimmenzwemmenWerkwoordA1
Im Sommer schwimmen wir im See.In de zomer zwemmen we in het meer.
wandernwandelen, trekkenWerkwoordA2
Am Wochenende wandern wir gern.In het weekend gaan we graag wandelen.

Meestal een langere tocht in de natuur.

spazieren geheneen wandeling makenWerkwoordA2
Nach dem Essen gehen wir immer spazieren.Na het eten maken we altijd een wandeling.
radfahrenfietsenWerkwoordA2
Er fährt jeden Tag zur Arbeit Rad.Hij fietst elke dag naar zijn werk.

Meestal los: Rad fahren.

joggenjoggen, hardlopenWerkwoordA2
Morgens joggt sie eine halbe Stunde.’s Ochtends loopt ze een half uur hard.
singenzingenWerkwoordA2
Sie singt in einem Chor.Ze zingt in een koor.

Vervoeging van singen →

tanzendansenWerkwoordA2
Wir haben bis Mitternacht getanzt.We hebben tot middernacht gedanst.
fernsehentv-kijkenWerkwoordA2
Abends sehe ich kaum fern.’s Avonds kijk ik bijna geen tv.

Scheidbaar: Ich sehe fern.

malenschilderenWerkwoordA2
Sie malt seit ihrer Kindheit.Ze schildert al sinds haar jeugd.

Valse vriend: niet “malen”; tekenen is zeichnen.

fotografierenfotograferenWerkwoordA2
Hier darf man nicht fotografieren.Hier mag je niet fotograferen.
kochenkokenWerkwoordA1
Wer kocht heute Abend?Wie kookt er vanavond?

Vervoeging van kochen →

backenbakkenWerkwoordA2
Am Sonntag backen wir einen Kuchen.Zondag bakken we een taart.
sammelnverzamelenWerkwoordB1
Er sammelt alte Postkarten.Hij verzamelt oude ansichtkaarten.

Vervoeging van sammeln →

sich treffenafspreken, elkaar ontmoetenWerkwoordA1
Wir treffen uns vor dem Kino.We zien elkaar voor de bioscoop.
ausgehenuitgaanWerkwoordA2
Wir gehen am Wochenende selten aus.In het weekend gaan we zelden uit.
einladenuitnodigenWerkwoordA2
Sie hat uns zum Essen eingeladen.Ze heeft ons uitgenodigd om te komen eten.
sich langweilenzich vervelenWerkwoordB1
Die Kinder langweilen sich.De kinderen vervelen zich.
Spaß machenleuk zijnWerkwoordA2
Das macht richtig Spaß.Dat is echt leuk.

Letterlijk “plezier maken”: Das macht Spaß.

zeichnentekenenWerkwoordA2
Meine Tochter zeichnet gern Tiere.Mijn dochter tekent graag dieren.
rollenrollenWerkwoordA2
Der Ball rollt unter das Auto.De bal rolt onder de auto.
entdeckenontdekkenWerkwoordA2
Im Urlaub haben wir ein schönes Café entdeckt.Op vakantie hebben we een leuk café ontdekt.
tauchenduikenWerkwoordB1
Im Urlaub sind wir jeden Tag getaucht.Op vakantie hebben we elke dag gedoken.

Zelfstandig naamwoord (29)

die Freizeitde vrije tijdZelfstandig naamwoordA2
In meiner Freizeit gehe ich viel spazieren.In mijn vrije tijd wandel ik veel.
das Hobbyde hobbyZelfstandig naamwoordA1
Fotografieren ist ihr großes Hobby.Fotograferen is haar grote hobby.
der Sportde sportZelfstandig naamwoordA1
Machst du regelmäßig Sport?Doe je regelmatig aan sport?
der Vereinde vereniging, de clubZelfstandig naamwoordB1
Er ist seit Jahren im Verein.Hij zit al jaren bij de vereniging.
die Mannschafthet team, de ploegZelfstandig naamwoordA2
Die Mannschaft hat zwei zu eins gewonnen.Het team heeft met twee-een gewonnen.
das Spielhet spel, de wedstrijdZelfstandig naamwoordA1
Das Spiel fängt um halb vier an.De wedstrijd begint om half vier.
das Torhet doelpunt; de poortZelfstandig naamwoordA2
Das zweite Tor fiel kurz vor Schluss.Het tweede doelpunt viel kort voor tijd.
das Turnierhet toernooiZelfstandig naamwoordB1
Das Turnier geht über drei Tage.Het toernooi duurt drie dagen.
das Schwimmbadhet zwembadZelfstandig naamwoordA2
Das Schwimmbad hat ab sieben geöffnet.Het zwembad gaat om zeven uur open.
die Musikde muziekZelfstandig naamwoordA1
Was für Musik hörst du?Naar wat voor muziek luister je?
das Konzerthet concertZelfstandig naamwoordA2
Das Konzert war schon ausverkauft.Het concert was al uitverkocht.
das Instrumenthet instrumentZelfstandig naamwoordB1
Welches Instrument spielst du?Welk instrument speel je?
der Filmde filmZelfstandig naamwoordA1
Der Film dauert über drei Stunden.De film duurt meer dan drie uur.
das Kinode bioscoopZelfstandig naamwoordA1
Wir gehen heute Abend ins Kino.We gaan vanavond naar de bioscoop.
das Theaterhet theater, de schouwburgZelfstandig naamwoordA2
Im Theater gibt es noch Karten.In het theater zijn nog kaartjes.
das Buchhet boekZelfstandig naamwoordA1
Das Buch habe ich zweimal gelesen.Dat boek heb ik twee keer gelezen.
die Zeitungde krantZelfstandig naamwoordA1
Die Zeitung kommt morgens um sechs.De krant komt ’s ochtends om zes uur.
die Partyhet feest, de partyZelfstandig naamwoordA2
Die Party geht bis morgens.Het feest duurt tot de ochtend.
die Einladungde uitnodigingZelfstandig naamwoordA2
Danke für die Einladung.Bedankt voor de uitnodiging.
der Ausflughet uitstapje, de excursieZelfstandig naamwoordA2
Wir machen morgen einen Ausflug an den See.Morgen maken we een uitstapje naar het meer.
der Strandhet strandZelfstandig naamwoordA2
Wir liegen den ganzen Tag am Strand.We liggen de hele dag op het strand.
der Ballde balZelfstandig naamwoordA1
Die Kinder spielen mit dem Ball.De kinderen spelen met de bal.
der Fußballhet voetbalZelfstandig naamwoordA1
Spielst du gern Fußball?Speel je graag voetbal?
der Spaßhet plezier, de lolZelfstandig naamwoordA1
Das Spiel hat viel Spaß gemacht.Het spel was heel leuk.
der Witzde grap, de mopZelfstandig naamwoordA2
Er erzählt gern Witze.Hij vertelt graag moppen.

Valse vriend: niet “wit”.

das Abenteuerhet avontuurZelfstandig naamwoordB1
Die Reise war ein echtes Abenteuer.De reis was een echt avontuur.
der Besuchhet bezoekZelfstandig naamwoordA2
Am Wochenende bekommen wir Besuch.In het weekend krijgen we bezoek.
die Saisonhet seizoenZelfstandig naamwoordB1
Die Saison beginnt im August.Het seizoen begint in augustus.
der Sprungde sprong; de barstZelfstandig naamwoordB1
Mit einem Sprung war er über dem Bach.Met één sprong was hij over de beek.

Bijvoeglijk naamwoord (2)

tollgeweldig, gaafBijvoeglijk naamwoordA1
Das Konzert war toll!Het concert was geweldig!

Valse vriend: niets met tol te maken.

wunderbarprachtig, heerlijkBijvoeglijk naamwoordA2
Das Essen war wunderbar.Het eten was heerlijk.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Vrije tijd, sport en hobby’s — lijsten: een, woorden: 55; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining