A1 · Woorden: 49
Begroeten en voorstellen in het Duits
De woorden van de eerste dertig seconden — en de keuze die je maakt voordat je iets zegt: du of Sie?
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (49), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Deze lijst bevat niet alleen woorden, maar ook een beslissing die je al kent. Het Nederlands kiest tussen “je” en “u”, het Duits tussen du en Sie. Alleen ligt de grens anders: in Duitsland zeg je veel langer en tegen veel meer mensen Sie dan in Nederland “u”. Tegen collega’s, buren en de man achter de balie begin je met Sie, tot iemand je het du aanbiedt. Let ook op de vorm: Sie gaat samen met het werkwoord in het meervoud (Können Sie?) en krijgt altijd een hoofdletter. Tegen meer mensen die je tutoyeert zeg je ihr, zoals “jullie”. En wie je met Sie aanspreekt, noem je bij de achternaam: Frau Weber, Herr Schneider.
De woorden
Werkwoord (5)
sprechensprekenWerkwoordA1
Sterk werkwoord: du sprichst, er spricht — de klinker verandert al in de tegenwoordige tijd.
verstehenbegrijpen, verstaanWerkwoordA1
Dekt zowel “verstaan” als “begrijpen”. Voltooid deelwoord zonder ge-: verstanden.
kommenkomenWerkwoordA1
Sterk werkwoord: kommen – kam – gekommen, in de voltooide tijd met sein, net als “ik ben gekomen”.
wohnenwonenWerkwoordA1
Net als in het Nederlands de tegenwoordige tijd met seit: Wir wohnen seit zwei Jahren hier.
sich verabschiedenafscheid nemenWerkwoordA2
Wederkerend werkwoord: ich verabschiede mich, wir verabschieden uns. Van iemand: sich von jemandem verabschieden.
Bijwoord (8)
bittealsjeblieft, alstublieft; graag gedaanBijwoordA1
Doet drie dingen: “alsjeblieft” bij een vraag, “graag gedaan” na danke en, vragend uitgesproken (Bitte?), “pardon?”. Bij het aangeven van iets zeg je ook bitte of bitte schön.
jajaBijwoordA1
neinneeBijwoordA1
dochjawel, toch welBijwoordA1
Het antwoord op een ontkennende vraag als je het tegendeel wilt zeggen: precies het Nederlandse “jawel”. Nein zou de ontkenning bevestigen.
woherwaarvandaan, waar … vandaanBijwoordA1
gerngraagBijwoordA1
Precies als “graag”: Ich lese gern. Vergrotende trap lieber, “liever”.
leiderhelaasBijwoordA1
Let op: niet “leider”. Dat is in het Duits der Leiter of der Chef.
natürlichnatuurlijkBijwoordA1
Tussenwerpsel (4)
hallohallo, hoiTussenwerpselA1
Net zo gewoon als in het Nederlands, ook tegen onbekenden in een winkel. Aan de telefoon zeg je het ook.
tschüssdoei, dagTussenwerpselA1
Informeel afscheid, vooral tegen wie je du zegt. Formeel: Auf Wiedersehen.
dankedank je, dank uTussenwerpselA1
okayokéTussenwerpselA1
Uitdrukking (13)
guten MorgengoedemorgenUitdrukkingA1
Ongeveer tot tien, elf uur. Daarna Guten Tag.
guten Taggoedendag, goedemiddagUitdrukkingA1
Een gewone, beleefde begroeting — niet zo plechtig als het Nederlandse “goedendag”. Alleen bij het begroeten; bij het afscheid zeg je Auf Wiedersehen of Schönen Tag noch! In Beieren en Oostenrijk hoor je Grüß Gott.
guten AbendgoedenavondUitdrukkingA1
Alleen bij het begroeten. ’s Avonds bij het afscheid: Schönen Abend noch!
gute Nachtwelterusten, goedenachtUitdrukkingA1
Alleen voor het slapengaan, nooit als begroeting.
auf Wiedersehentot ziensUitdrukkingA1
Aan de telefoon zeg je Auf Wiederhören: je ziet elkaar niet, je hoort elkaar.
bis baldtot gauwUitdrukkingA1
vielen Dankhartelijk bedankt, dank u welUitdrukkingA1
es tut mir leidhet spijt meUitdrukkingA1
Sterker dan Entschuldigung: het drukt echt spijt of medeleven uit.
wie geht es dirhoe gaat het met jeUitdrukkingA1
Tegen iemand die je tutoyeert. Formeel: Wie geht es Ihnen? In de spreektaal kort: Wie geht’s?
mein Name istmijn naam is, ik heetUitdrukkingA1
Vooral op het werk en aan de telefoon, meestal met de achternaam.
ich heißeik heetUitdrukkingA1
Het werkwoord is heißen, met ß; het lijkt op het Nederlandse “heten”.
freut michaangenaam, leuk je te ontmoetenUitdrukkingA1
noch einmalnog een keer, nog eensUitdrukkingA1
Zelfstandig naamwoord (13)
entschuldigungsorry, pardon, neem me niet kwalijkZelfstandig naamwoordA1
die Entschuldigung. Je gebruikt het om sorry te zeggen en om iemand aan te spreken, net als “pardon”.
der Herrmeneer, heerZelfstandig naamwoordA1
Altijd met de achternaam: Herr Schneider, niet met de voornaam. Meervoud: die Herren; in de brief Sehr geehrter Herr Schneider.
die Fraumevrouw; vrouw; echtgenoteZelfstandig naamwoordA1
Met de achternaam is het “mevrouw”, voor elke volwassen vrouw. meine Frau betekent “mijn vrouw”. Meervoud: die Frauen.
die FragevraagZelfstandig naamwoordA1
Meervoud: die Fragen. “Een vraag stellen” is eine Frage stellen.
die AntwortantwoordZelfstandig naamwoordA1
Vrouwelijk, anders dan het Nederlandse “het antwoord”. Meervoud: die Antworten.
das Landland; plattelandZelfstandig naamwoordA1
auf dem Land is “op het platteland”. In Duitsland ook een deelstaat. Meervoud: die Länder.
die SprachetaalZelfstandig naamwoordA1
Vrouwelijk. Meervoud: die Sprachen.
der GrußgroetZelfstandig naamwoordA1
Meervoud: die Grüße. Onder een brief: Viele Grüße, formeel Mit freundlichen Grüßen.
der VornamevoornaamZelfstandig naamwoordA1
Op formulieren: Vorname en Nachname of Familienname (achternaam).
DuitsEngels (de taal)Zelfstandig naamwoordA1
Talen zonder lidwoord: Ich lerne Duits. Het Duitse woord voor Nederlands is Niederländisch.
EuropaEuropaZelfstandig naamwoordA1
ItalienItaliëZelfstandig naamwoordA1
Zonder lidwoord: in Italien, nach Italien, aus Italien.
die SchweizZwitserlandZelfstandig naamwoordA1
Met lidwoord: in der Schweiz, in die Schweiz, aus der Schweiz. Zo ook die Niederlande (meervoud): in den Niederlanden.
Bijvoeglijk naamwoord (3)
willkommenwelkomBijvoeglijk naamwoordA1
langsamlangzaamBijvoeglijk naamwoordA1
geehrtgeachte (in een brief)Bijvoeglijk naamwoordA2
In een formele brief altijd na sehr: Sehr geehrte Frau …, Sehr geehrter Herr …, Sehr geehrte Damen und Herren. De uitgang hangt af van het geslacht.
Voornaamwoord (3)
dujij, jeVoornaamwoordA1
Tegen één persoon die je tutoyeert. Het werkwoord krijgt -st: du kommst, du gehst.
SieuVoornaamwoordA1
Altijd met een hoofdletter en met het werkwoord in het meervoud: Sie können, Sie sind. In Duitsland veel gewoner dan “u” in Nederland.
ihrjullieVoornaamwoordA1
Tegen meer mensen die je tutoyeert. Het werkwoord eindigt op -t: ihr habt, ihr kommt.
Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.