B1 · Woorden: 37
Huishouden en reparaties in het Duits
Kraan, stopcontact, strijken, stofzuigen — klusjes in huis.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (37), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Het Duits zegt der Stecker voor de stekker en die Steckdose voor het stopcontact — twee woorden die bijna hetzelfde klinken. Een gloeilamp is die Glühbirne, letterlijk “gloeipeer”. Schoonmaken heeft veel werkwoorden: putzen (algemeen), wischen (afnemen, dweilen), staubsaugen (stofzuigen) en reinigen (grondig reinigen).
De woorden
Weergave
Werkwoord (11)
klebenplakken, lijmenWerkwoordB1
Ich klebe das wieder zusammen.Ik plak het weer aan elkaar.
nähennaaienWerkwoordB1
Meine Großmutter hat alles selbst genäht.Mijn grootmoeder naaide alles zelf.
bügelnstrijkenWerkwoordB1
Hemden bügle ich sofort.Overhemden strijk ik meteen.
staubsaugenstofzuigenWerkwoordB1
Ich habe gestern gestaubsaugt.Ik heb gisteren gestofzuigd.
wischenafnemen, dweilenWerkwoordB1
Ich wische kurz durch.Ik dweil even.
klemmenklemmenWerkwoordB1
Die Schublade klemmt.De la klemt.
reinigenreinigenWerkwoordB1
Der Teppich muss gereinigt werden.Het tapijt moet gereinigd worden.
glänzenglanzen, blinkenWerkwoordB1
Nach dem Putzen glänzt der Boden.Na het schoonmaken glanst de vloer.
einbaueninbouwen, installerenWerkwoordB1
Wir lassen eine neue Küche einbauen.We laten een nieuwe keuken inbouwen.
ordnenordenenWerkwoordB1
Sie ordnet die Papiere nach dem Datum.Ze ordent de papieren op datum.
aufhebenbewaren; oprapenWerkwoordB1
Die Quittung solltest du gut aufheben.De bon moet je goed bewaren.
Zelfstandig naamwoord (18)
der Wasserhahnde kraanZelfstandig naamwoordB1
Der Wasserhahn tropft seit Tagen.De kraan druppelt al dagen.
der Steckerde stekkerZelfstandig naamwoordB1
Zieh bitte den Stecker.Trek alsjeblieft de stekker eruit.
die Steckdosehet stopcontactZelfstandig naamwoordB1
Neben dem Bett fehlt eine Steckdose.Naast het bed ontbreekt een stopcontact.
die Glühbirnede gloeilampZelfstandig naamwoordB1
Die Glühbirne ist durchgebrannt.De gloeilamp is doorgebrand.
die Nadelde naaldZelfstandig naamwoordB1
Die Nadel liegt in der Schublade.De naald ligt in de la.
der Trocknerde drogerZelfstandig naamwoordB1
Einen Trockner haben wir nicht.We hebben geen droger.
das Waschmittelhet wasmiddelZelfstandig naamwoordB1
Das Waschmittel ist alle.Het wasmiddel is op.
das Bügeleisenhet strijkijzerZelfstandig naamwoordB1
Das Bügeleisen ist noch heiß.Het strijkijzer is nog heet.
der Staubsaugerde stofzuigerZelfstandig naamwoordB1
Der Staubsauger ist im Flur.De stofzuiger staat in de gang.
der Eimerde emmerZelfstandig naamwoordB1
Der Eimer steht schon bereit.De emmer staat al klaar.
der Lappende doek, het lapjeZelfstandig naamwoordB1
Nimm einen sauberen Lappen.Neem een schone doek.
der Besende bezemZelfstandig naamwoordB1
Der Besen steht hinter der Tür.De bezem staat achter de deur.
der Mülleimerde vuilnisemmerZelfstandig naamwoordA2
Der Mülleimer ist voll.De vuilnisemmer is vol.
die Schalede schaal; de schilZelfstandig naamwoordB1
Die Äpfel liegen in einer Schale.De appels liggen in een schaal.
das Radhet wiel; de fietsZelfstandig naamwoordA2
Ich fahre jeden Tag mit dem Rad.Ik ga elke dag met de fiets.
der Staubhet stofZelfstandig naamwoordB1
Auf dem Regal liegt viel Staub.Op de plank ligt veel stof.
die Oberflächede oppervlakte, het oppervlakZelfstandig naamwoordB1
Die Oberfläche des Tisches ist ganz glatt.Het oppervlak van de tafel is helemaal glad.
der Streifende streepZelfstandig naamwoordB1
Nach dem Putzen sind Streifen auf dem Fenster.Na het lappen zitten er strepen op het raam.
Uitdrukking (3)
selbst machenzelf doen, zelf makenUitdrukkingB1
Das kann man selbst machen.Dat kun je zelf doen.
bei 40 Grad waschenop 40 graden wassenUitdrukkingB1
Das Hemd bei 40 Grad waschen.Het overhemd op 40 graden wassen.
die Wäsche aufhängende was ophangenUitdrukkingB1
Ich hänge die Wäsche auf den Balkon.Ik hang de was op het balkon.
Bijvoeglijk naamwoord (5)
festvast, stevigBijvoeglijk naamwoordB1
Die Schraube sitzt fest.De schroef zit vast.
ungeschicktonhandigBijvoeglijk naamwoordB1
Ich bin beim Basteln sehr ungeschickt.Ik ben heel onhandig met knutselen.
gründlichgrondigBijvoeglijk naamwoordB1
Vor dem Besuch putzen wir gründlich.Voor het bezoek maken we grondig schoon.
sorgfältigzorgvuldigBijvoeglijk naamwoordB1
Lesen Sie den Vertrag bitte sorgfältig.Leest u het contract zorgvuldig.
stabilstevig, stabielBijvoeglijk naamwoordB1
Der Tisch ist leicht, aber stabil.De tafel is licht, maar stevig.
Deze lijst hoort bij Huis en wonen — lijsten: vier, woorden: 166; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.