B1GeschichteAlltag1 Min.
Vrijwilliger in de bibliotheek
Warum eine Rentnerin jeden Mittwoch Kindern vorliest.
Ein Text über Ehrenamt. Achte auf den Konditional mit zou — Ik zou het iedereen aanraden. — und auf te mit dem Infinitiv nach proberen, beginnen und vergeten.
Sinds Marijke met pensioen is, werkt ze één dag per week als vrijwilliger in de bibliotheek van haar wijk. Ze krijgt er geen geld voor, maar dat vindt ze niet erg.
Elke woensdag leest ze voor aan een groep kinderen. Sommige kinderen spreken thuis een andere taal en leren in de bibliotheek beter Nederlands.
“In het begin was ik bang dat ze zich zouden vervelen,” vertelt Marijke. “Maar ze luisteren heel goed, en ze stellen veel vragen. Soms vergeet ik bijna verder te lezen.”
Na het voorlezen helpt ze ouders die een formulier moeten invullen of een brief van de gemeente niet begrijpen. Ze legt het rustig uit en probeert iedereen te helpen.
“Ik heb het gevoel dat ik iets nuttigs doe,” zegt ze. “Ik zou het iedereen aanraden. Je leert er zelf ook veel van.”
Ein Klick auf ein Wort schlägt es im Wortschatz dieser Seite nach.
- Wörter
- 136
- Sätze
- 13
- Wörter je Satz
- 10,5
- im Wortschatz
- 100 %
- gemessene Stufe
- B1
- Lesedauer
- 1 Min.
Die Wörter ab B1 in diesem Text
Nicht die schweren Wörter überhaupt, sondern die deiner Stufe: alle 9 von 95 Wörtern dieses Textes stehen auf B1 oder darüber. Alles andere kennst du, wenn du hier angekommen bist.
aanraden
empfehlen
B1de bibliotheek
die Bibliothek
B1de gemeente
die Gemeinde
B1de vrijwilliger
der Freiwillige
B1de wijk
das Stadtviertel
B1het formulier
das Formular
B1het pensioen
die Rente, die Pension
B1nuttig
nützlich
B1voorlezen
vorlesen
B1
Die Wortlisten zu diesem Text
Die Wörter dieses Textes stehen in 17 Listen dieser Seite; die Zahl dahinter sagt, wie viele davon aus welcher Liste kommen. Wer den Text gelesen hat, hat gerade diese Wörter gebraucht — und kann genau sie abfragen.
Verständnisfragen
4 Fragen zum Text. Zu jeder Antwort erscheint der Satz, in dem sie steht — eine Frage, deren Antwort man im Text nicht wiederfindet, prüft nichts.
1. Hoe vaak werkt Marijke in de bibliotheek?
werkt ze één dag per week als vrijwilliger
2. Wat doet ze op woensdag?
Elke woensdag leest ze voor aan een groep kinderen.
3. Waar was ze in het begin bang voor?
In het begin was ik bang dat ze zich zouden vervelen
4. Wat zegt ze aan het eind?
Ik zou het iedereen aanraden.