B1HistoriaVida diaria1 min
De dijk
Un abuelo cuenta cómo llegó el agua y qué cambió después.
Un texto sobre un país bajo el nivel del mar. Fíjate en el pluscuamperfecto, had geregend («había llovido»), was gekomen («había venido»), y en las oraciones con toen, que se usa para un hecho único del pasado. El español dice «cuando» para todo; para una costumbre o un tiempo futuro el neerlandés usa en cambio als o wanneer.
Mijn opa woont al zijn hele leven in een klein dorp in Zeeland. Het dorp ligt achter een hoge dijk, en het land is lager dan de zee.
Toen hij een kind was, heeft hij een grote storm meegemaakt. Het had dagen geregend en in de nacht was het water over de dijk gekomen. Veel mensen moesten hun huis verlaten.
Opa vertelt dat zijn familie op de zolder heeft gezeten tot er een boot kwam. Ze hadden niets meer, behalve wat kleren en een paar foto’s.
Na die storm heeft de regering besloten om de dijken veel hoger en sterker te maken. Dat heeft jaren geduurd en veel geld gekost.
Als we nu samen over de dijk lopen, kijkt opa vaak naar het water. “Je moet de zee altijd respecteren,” zegt hij. “Ze is mooi, maar ze is sterker dan wij.”
Al hacer clic en una palabra se busca en el vocabulario de este sitio.
- Palabras
- 141
- Frases
- 13
- Palabras por frase
- 10,8
- en el vocabulario
- 100 %
- nivel medido
- B1
- Tiempo de lectura
- 1 min
Las palabras de B1 en adelante en este texto
No las palabras difíciles en general, sino las de tu nivel: las 8 de las 93 palabras de este texto están en B1 o por encima. Todo lo demás ya lo conoces cuando llegas hasta aquí.
besluiten
decidir, resolver
B1de dijk
el dique
B1de regering
el gobierno
B1de storm
la tormenta, el temporal
B1een paar
unos cuantos, un par de
B1meemaken
vivir (una experiencia), pasar por ello
B1respecteren
respetar
B1verlaten
abandonar, dejar (un lugar)
B1
Las listas de palabras de este texto
Las palabras de este texto están en 20 listas de este sitio; el número de detrás indica cuántas vienen de cada lista. Quien ha leído el texto acaba de necesitar justo estas palabras, y puede repasar exactamente esas.
Los verbos de esta página, en todas sus formas: hebben · zijn · komen · moeten · wonen · zitten · liggen · zeggen · besluiten · meemaken
Preguntas de comprensión
4 preguntas sobre el texto. Con cada respuesta aparece la frase en la que está: una pregunta cuya respuesta no se encuentra en el texto no evalúa nada.
1. Waar woont de opa?
Het dorp ligt achter een hoge dijk
2. Wat gebeurde er in de nacht van de storm?
in de nacht was het water over de dijk gekomen
3. Waar wachtte de familie op de boot?
dat zijn familie op de zolder heeft gezeten tot er een boot kwam
4. Wat heeft de regering na de storm besloten?
heeft de regering besloten om de dijken veel hoger en sterker te maken