Ir al contenido
EveryLingua Todos los idiomasDiccionario
ES

B1HistoriaVida diaria1 min

Een kamer zoeken

Buscar una habitación en una ciudad universitaria: muchos solicitantes y poco espacio.

Un texto sobre el mercado de la vivienda, con subordinadas. Fíjate en el verbo al final de la oración, omdat er weinig kamers zijn, «porque hay pocas habitaciones», y en los pronombres relativos die y dat: de kamer die ik zocht, het huis dat ik zag. El español dice siempre «que», pero el neerlandés elige según el artículo del sustantivo: die para las palabras de, dat para las het.

Toen ik in Leiden ging studeren, had ik nog geen kamer. Iedereen had me gewaarschuwd dat het moeilijk zou zijn, omdat er in die stad veel meer studenten zijn dan kamers.

Ik heb weken lang elke dag op internet gezocht. Als er een nieuwe kamer online kwam, reageerden er binnen een uur al vijftig mensen.

Bij een kamer die ik erg mooi vond, werd ik uitgenodigd voor een avond met de bewoners. Er waren nog twaalf andere kandidaten. We moesten iets over onszelf vertellen en vragen beantwoorden.

Een week later kreeg ik een bericht dat ik helaas niet was gekozen. Dat vond ik jammer, maar ik heb niet opgegeven.

Uiteindelijk heb ik via een collega van mijn moeder een kleine kamer gevonden. Die is niet groot en ook niet goedkoop, maar het huis ligt dicht bij het centrum en mijn huisgenoten zijn aardig.

Palabras
143
Frases
11
Palabras por frase
13,0
en el vocabulario
100 %
nivel medido
B1
Tiempo de lectura
1 min

Las palabras de B1 en adelante en este texto

No las palabras difíciles en general, sino las de tu nivel: las 7 de las 98 palabras de este texto están en B1 o por encima. Todo lo demás ya lo conoces cuando llegas hasta aquí.

Las listas de palabras de este texto

Las palabras de este texto están en 19 listas de este sitio; el número de detrás indica cuántas vienen de cada lista. Quien ha leído el texto acaba de necesitar justo estas palabras, y puede repasar exactamente esas.

Los verbos de esta página, en todas sus formas: hebben · vinden · zijn · gaan · komen · worden · moeten · zullen · uitnodigen · kiezen

Preguntas de comprensión

4 preguntas sobre el texto. Con cada respuesta aparece la frase en la que está: una pregunta cuya respuesta no se encuentra en el texto no evalúa nada.

1. Waarom is het moeilijk om in Leiden een kamer te vinden?

2. Hoeveel mensen reageerden er op een nieuwe kamer?

3. Wat moesten de kandidaten op de avond doen?

4. Hoe heeft de schrijver de kamer gevonden?