Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A2  ·  Woorden: 50

Vrije tijd en sport in het Engels

Wat je doet als je niets hoeft te doen.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (50), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Bij sport beslist het werkwoord: play bij balspelen, go bij alles op -ing, do bij de rest. play football, go swimming, do yoga — waar het Nederlands “voetballen”, “gaan zwemmen” en “aan yoga doen” zegt. Wie dat door elkaar haalt, wordt begrepen, maar klinkt meteen vreemd.

De woorden

Werkwoord (18)

to playspelen, bespelenWerkwoordA1
They play tennis every Sunday.Ze tennissen elke zondag.

“play” bij balspelen en instrumenten — maar “play the piano” met lidwoord, “play football” zonder.

Vervoeging van play →

to swimzwemmenWerkwoordA1
I go swimming twice a week.Ik ga twee keer per week zwemmen.
to runhardlopen, rennenWerkwoordA1
She runs five kilometres every morning.Hij loopt elke ochtend vijf kilometer.

Vervoeging van run →

to riderijden (op de fiets, te paard)WerkwoordA2
He rides his bike to work.Ze fietst naar haar werk.
to winwinnenWerkwoordA2
We hope to win the match.We hopen de wedstrijd te winnen.

Vervoeging van win →

to loseverliezen; kwijtrakenWerkwoordA2
Nobody likes to lose.Niemand verliest graag.

Vervoeging van lose →

to traintrainenWerkwoordA2
She trains for two hours a day.Ze traint twee uur per dag.
to watchkijken naarWerkwoordA1
We watched the sunset.We keken naar de zonsondergang.

Vervoeging van watch →

to dancedansenWerkwoordA1
She loves to dance.Ze danst heel graag.
to singzingenWerkwoordA1
He sings in a choir.Ze zingt in een koor.
to drawtekenenWerkwoordA2
The children like to draw.Kinderen tekenen graag.
to go outuitgaanWerkwoordA2
We do not go out much any more.We gaan niet vaak meer uit.
to relaxontspannen, uitrustenWerkwoordA2
I relax by reading.Ik ontspan met een boek.

Zonder wederkerend voornaamwoord: “I relax”, niet “I relax myself” — anders dan “zich ontspannen”.

to enjoygenieten vanWerkwoordA2
We enjoyed the evening.We hebben erg genoten van de avond.

Na “enjoy” staat “-ing”: “enjoy reading”, niet “enjoy to read”. En zonder “of”: “enjoy the evening”.

to meet upafspreken, elkaar zienWerkwoordA2
Let us meet up next week.Laten we volgende week afspreken.
to collectverzamelenWerkwoordA2
My uncle collects old maps.Mijn oom verzamelt oude kaarten.
to joinmeedoen, lid wordenWerkwoordA2
Would you like to join us?Doe je mee?
to jumpspringenWerkwoordA2
The dog will jump the fence if nobody watches.De hond springt over het hek als niemand oplet.

Zelfstandig naamwoord (23)

Grammatica hierbij: Het meervoud · Het onbepaald lidwoord: “a” en “an”

ballbalZelfstandig naamwoordA1
The ball is under the car.De bal ligt onder de auto.
guitargitaarZelfstandig naamwoordA2
He plays the guitar every evening.Hij speelt elke avond gitaar.
free timevrije tijdZelfstandig naamwoordA2
I have little free time at the moment.Ik heb nu weinig vrije tijd.
hobbyhobbyZelfstandig naamwoordA1
Photography is her main hobby.Fotografie is haar grootste hobby.
sportsportZelfstandig naamwoordA1
Which sport do you do?Welke sport doe je?
footballvoetbalZelfstandig naamwoordA1
He watches football every weekend.Hij kijkt elk weekend voetbal.

Brits “football”, Amerikaans “soccer”.

teamteam, ploegZelfstandig naamwoordA2
The team trains twice a week.Het team traint twee keer per week.
matchwedstrijdZelfstandig naamwoordA2
The match was cancelled.De wedstrijd is afgelast.

Brits “match”, Amerikaans “game”.

musicmuziekZelfstandig naamwoordA1
I listen to music while I work.Ik luister naar muziek bij het werk.

“listen to music” — “listen” heeft altijd “to” nodig.

filmfilmZelfstandig naamwoordA1
The film was better than the book.De film was beter dan het boek.

Brits “film”, Amerikaans “movie”.

concertconcertZelfstandig naamwoordA2
The concert starts at eight.Het concert begint om acht uur.
partyfeest, feestjeZelfstandig naamwoordA1
They had a party on Saturday.Op zaterdag gaven ze een feest.
funplezier, lolZelfstandig naamwoordA1
It was great fun.Het was erg leuk.

“fun” is ontelbaar. Een grappig mens is “funny” — en “funny” betekent ook “vreemd”.

bank holidayofficiële vrije dagZelfstandig naamwoordB1
Monday is a bank holiday.Maandag is een vrije dag.

Brits “bank holiday”, Amerikaans “public holiday”.

clubclub, verenigingZelfstandig naamwoordA2
She joined a running club.Ze is lid geworden van een hardloopclub.
gymsportschool, gymzaalZelfstandig naamwoordA2
I go to the gym before work.Ik ga voor het werk naar de sportschool.

Een Nederlands gymnasium is geen “gymnasium” — dat woord betekent in het Engels gymzaal. Het gymnasium is “grammar school”.

songliedje, nummerZelfstandig naamwoordA2
This is my favourite song.Dat is mijn lievelingsnummer.
moviefilm (Amerikaans)Zelfstandig naamwoordA2
We watched a movie last night.Gisteravond hebben we een film gekeken.
photofotoZelfstandig naamwoordA2
Can you take a photo of us?Kun je een foto van ons maken?
pianopianoZelfstandig naamwoordA2
My sister plays the piano.Mijn zus speelt piano.
shoppingboodschappen, winkelenZelfstandig naamwoordA2
I do the shopping on Saturday.Ik doe op zaterdag de boodschappen.
gamespelZelfstandig naamwoordA2
We played a game after dinner.Na het eten speelden we een spelletje.
starsterZelfstandig naamwoordA2
You can see many stars tonight.Vanavond zie je veel sterren.

Bijvoeglijk naamwoord (3)

Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord? · Trappen van vergelijking

boringsaaiBijvoeglijk naamwoordA2
The lecture was boring.Het college was saai.

“I am boring” betekent “ik ben saai”. Wie zich verveelt, zegt “I am bored”.

interestinginteressantBijvoeglijk naamwoordA1
That is an interesting idea.Dat is een interessant idee.
tired outdoodop, uitgeputBijvoeglijk naamwoordB1
After the match we were tired out.Na de wedstrijd waren we doodop.

Uitdrukking (6)

to take photosfoto’s makenUitdrukkingA2
She takes photos of old buildings.Hij fotografeert oude gebouwen.

Met take: “take a photo”, niet “make a photo”.

to travel aroundrondreizenUitdrukkingA2
They travelled around Europe for a year.Ze hebben een jaar door Europa gereisd.
to do the gardeningin de tuin werkenUitdrukkingA2
He does the gardening at the weekend.In het weekend werkt ze in de tuin.
to be intogek zijn op, interesse hebben inUitdrukkingB1
He is really into old films.Hij is echt gek op oude films.
to look forward tozich verheugen op, uitkijken naarUitdrukkingB1
I am looking forward to the weekend.Ik kijk uit naar het weekend.
to have a gohet proberenUitdrukkingB1
Why not have a go?Waarom zou je het niet proberen?

Terug naar de overhoring ↑

Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek

Deze lijst hoort bij Vrije tijd en sport — lijsten: twee, woorden: 79; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining