Chaque phrase vient des listes de mots ou des points de grammaire de ce cours. La forme du verbe est mise en évidence ; en dessous figurent le temps et la personne.
Ze draagt een rode jas.Elle porte une veste rouge.
draagt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
In de winter draag ik laarzen.En hiver, je porte des bottes.
draag — Onvoltooid tegenwoordige tijd · ik; Gebiedende wijs · jij/jullie
Kinderen dragen vaak een helm.Les enfants portent souvent un casque.
dragen — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie
Ze droeg een rode jurk.Elle portait une robe rouge.
droeg — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je
Hij draagt altijd een pet.Il porte toujours une casquette.
draagt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
Hij draagt een wit overhemd.Il porte une chemise blanche.
draagt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het