Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A2  ·  Woorden: 48

Lichaam en gezondheid in het Engels

Wat er pijn doet en hoe je dat zegt.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (48), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Deze lijst heb je zelden nodig, maar dan meteen. Er zitten twee eigenaardigheden in. Bij lichaamsdelen staat in het Engels een bezittelijk voornaamwoord waar het Nederlands vaak het lidwoord gebruikt: he broke his arm — “hij brak zijn arm”, niet the arm. En pijn druk je uit met have of met het werkwoord hurt: I have a headache, my back hurts. Let ook op “ik voel me”: het Engels zegt I feel better, zonder myself.

De woorden

Werkwoord (10)

to hurtpijn doen, bezerenWerkwoordA1
Does it hurt when I press here?Doet het pijn als ik hier druk?

Vervoeging van hurt →

to feelzich voelenWerkwoordA1
I feel much better today.Ik voel me vandaag veel beter.

Zonder wederkerend voornaamwoord: “I feel better”, niet “I feel myself better” — al zeg je “ik voel me”.

Vervoeging van feel →

to restrusten, uitrustenWerkwoordA2
You need to rest for a few days.Je moet een paar dagen rusten.
to sleepslapenWerkwoordA1
I did not sleep well.Ik heb slecht geslapen.

Vervoeging van sleep →

to breatheademenWerkwoordA2
Breathe in slowly.Adem langzaam in.
to recoverherstellenWerkwoordB1
She recovered quickly after the operation.Na de operatie herstelde ze snel.
to touchaanrakenWerkwoordA2
The parcel stood there for two days before anybody touched it.Het pakket stond twee dagen voordat iemand het aanraakte.

Vervoeging van touch →

to smellruikenWerkwoordA2
The bread smells good.Het brood ruikt lekker.
to diesterven, overlijdenWerkwoordA2
His grandfather died last year.Zijn opa is vorig jaar overleden.
to swallowslikkenWerkwoordB1
Swallow the tablet with a glass of water.Slik de tablet in met een glas water.

Zelfstandig naamwoord (33)

Grammatica hierbij: Het meervoud · Het onbepaald lidwoord: “a” en “an”

bodylichaamZelfstandig naamwoordA1
The whole body needs rest.Het hele lichaam heeft rust nodig.
headhoofdZelfstandig naamwoordA1
She hit her head on the shelf.Ze stootte haar hoofd tegen de plank.
hairhaarZelfstandig naamwoordA1
He is getting his hair cut.Ze gaat naar de kapper.

“hair” is meestal ontelbaar: “her hair is long”, niet “her hairs are long”.

eyeoogZelfstandig naamwoordA1
She has green eyes.Ze heeft groene ogen.
earoorZelfstandig naamwoordA1
My left ear hurts.Mijn linkeroor doet pijn.
noseneusZelfstandig naamwoordA1
He broke his nose playing football.Hij brak zijn neus bij het voetballen.
mouthmondZelfstandig naamwoordA1
Open your mouth, please.Doe je mond open, alsjeblieft.
toothtandZelfstandig naamwoordA2
One tooth is loose.Er zit een tand los.

Het meervoud is “teeth”.

handhandZelfstandig naamwoordA1
Wash your hands before dinner.Was je handen voor het eten.
armarmZelfstandig naamwoordA1
He broke his arm skiing.Hij brak zijn arm bij het skiën.
legbeenZelfstandig naamwoordA1
My legs hurt after the walk.Na de wandeling doen mijn benen pijn.
footvoetZelfstandig naamwoordA1
I hurt my foot on the stairs.Ik stootte mijn voet op de trap.

Het meervoud is “feet”.

backrugZelfstandig naamwoordA2
My back hurts when I sit too long.Mijn rug doet pijn als ik te lang zit.
stomachbuik, maagZelfstandig naamwoordA2
She has stomach ache.Ze heeft buikpijn.
hearthartZelfstandig naamwoordA2
His heart is fine, the doctor said.De dokter zei dat zijn hart in orde is.
healthgezondheidZelfstandig naamwoordA2
Her health has improved.Haar gezondheid is vooruitgegaan.
painpijnZelfstandig naamwoordA2
The pain comes and goes.De pijn komt en gaat.
doctordokter, artsZelfstandig naamwoordA1
You should see a doctor.Je zou naar de dokter moeten gaan.
hospitalziekenhuisZelfstandig naamwoordA2
He is in hospital for two days.Ze ligt twee dagen in het ziekenhuis.

Brits zonder lidwoord: “in hospital”. Amerikaans: “in the hospital”.

medicinemedicijn, geneesmiddelZelfstandig naamwoordA2
Take this medicine twice a day.Neem dit medicijn twee keer per dag.
coldverkoudheidZelfstandig naamwoordA1
I have a bad cold.Ik ben flink verkouden.
feverkoortsZelfstandig naamwoordA2
The child has a high fever.Het kind heeft hoge koorts.
headachehoofdpijnZelfstandig naamwoordA2
I have a headache.Ik heb hoofdpijn.
appointmentafspraakZelfstandig naamwoordA2
I have an appointment at four.Om vier uur heb ik een afspraak.

Een afspraak met een tijd is “appointment”; een afspraak in de zin van “overeenkomst” is “agreement”.

emergencynoodgevalZelfstandig naamwoordA2
In an emergency, call this number.Bel in een noodgeval dit nummer.
injuryblessure, verwondingZelfstandig naamwoordB1
The injury kept him out for weeks.Door een blessure stond hij weken aan de kant.
treatmentbehandelingZelfstandig naamwoordB1
The treatment lasts six weeks.De behandeling duurt zes weken.
insuranceverzekeringZelfstandig naamwoordB1
Does your insurance cover this?Dekt je verzekering dat?
exercisebeweging, lichaamsbewegingZelfstandig naamwoordA2
You should get more exercise.Je zou meer moeten bewegen.
ankleenkelZelfstandig naamwoordA2
The difference was a broken ankle in February.Het verschil maakte een gebroken enkel in februari.
musclespierZelfstandig naamwoordA2
The muscle hurts for two days and then stops.De spier doet twee dagen pijn en dan houdt het op.
kneeknieZelfstandig naamwoordA2
She landed on one knee and stood up laughing.Ze landde op één knie en stond lachend op.
nervezenuwZelfstandig naamwoordB1
The nerve heals slowly, and nobody can say how slowly.Een zenuw geneest langzaam, en niemand weet hoe langzaam.

Bijvoeglijk naamwoord (4)

Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord? · Trappen van vergelijking

illziekBijvoeglijk naamwoordA1
He has been ill for a week.Hij is al een week ziek.

Brits “ill”, Amerikaans meestal “sick”.

healthygezondBijvoeglijk naamwoordA2
She eats very healthy food.Ze eet heel gezond.
tiredmoeBijvoeglijk naamwoordA1
You look tired.Je ziet er moe uit.
sickziekBijvoeglijk naamwoordA2
He is sick and stays at home today.Hij is ziek en blijft vandaag thuis.

Uitdrukking (1)

to put on weightaankomen (in gewicht)UitdrukkingB1
I have put on weight this winter.Ik ben deze winter aangekomen.

Terug naar de overhoring ↑

Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek

Deze lijst hoort bij Gezondheid en lichaam — lijsten: zes, woorden: 209; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining