Startpagina › Woordenschat › Basiswoorden › Woorden zonder thema II
Oefen deze lijst
Zo kun je oefenen
Uit deze woorden (121), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst Het vervolg: woorden die in elke tweede zin opduiken en op geen enkele themalijst kunnen staan, omdat ze bij geen enkel thema horen. De bijwoorden op -ly staan hier bewust bij elkaar. In het Nederlands is het bijwoord gewoon het bijvoeglijk naamwoord (“ze praat zacht”); in het Engels krijgt het meestal -ly : quiet → quietly . Wie dat bij één woord doorheeft, kan het bij bijna allemaal.
De woorden
Weergave Beknopt Met voorbeelden
Werkwoord (14)
to reach bereiken Werkwoord A2 She reached the platform as the doors were closing. Ze bereikte het perron toen de deuren dichtgingen.
Vervoeging van reach →
to belong horen bij, toebehoren Werkwoord A2 This box does not belong to anybody here. Deze doos is van niemand die hier is.
to knock kloppen Werkwoord A2
to appear verschijnen, opduiken Werkwoord A2 The same name appears on every page. Dezelfde naam staat op elke bladzijde.
to count tellen Werkwoord A2 Nobody counted anything until the coach had gone. Niemand telde iets tot de bus vertrokken was.
Vervoeging van count →
to matter ertoe doen, belangrijk zijn Werkwoord A2 The money mattered far less than she had thought. Geld deed er veel minder toe dan ze dacht.
to plan plannen Werkwoord A2
to fill vullen Werkwoord A2
to visit bezoeken, op bezoek gaan Werkwoord A2 We visit my grandmother every Sunday. Elke zondag gaan we bij oma op bezoek.
to enter binnengaan, invoeren Werkwoord A2 Please enter your name in the first field. Vul je naam in het eerste veld in.
Zonder voorzetsel: “enter the room”, niet “enter into the room”.
Vervoeging van enter →
to push duwen, drukken Werkwoord A2 Push the door, do not pull it. Duw tegen de deur, niet trekken.
to hurry zich haasten Werkwoord A2 There is no need to hurry, the train is late. Je hoeft je niet te haasten, de trein heeft vertraging.
to act handelen; acteren Werkwoord A2 We have to act now. We moeten nu handelen.
to point wijzen Werkwoord B1 She pointed at the map. Ze wees naar de kaart.
Zelfstandig naamwoord (49)
Grammatica hierbij: Het meervoud · Het onbepaald lidwoord: “a” en “an”
difference verschil Zelfstandig naamwoord A2 The difference between the two is small. Het verschil tussen de twee is klein.
direction richting Zelfstandig naamwoord A2 We walked in the wrong direction for a mile. We liepen een mijl de verkeerde kant op.
distance afstand Zelfstandig naamwoord A2 At that distance nobody could read the sign. Van die afstand kon niemand het bord lezen.
effort moeite, inspanning Zelfstandig naamwoord A2 It took more effort than she had expected. Het kostte meer moeite dan ze had verwacht.
guess gok, schatting Zelfstandig naamwoord A2 That was a guess and it was a good one. Het was een gok, en een goede.
silence stilte Zelfstandig naamwoord A2 The silence in the room lasted a full minute. De stilte in de kamer duurde een hele minuut.
trouble moeite, probleem Zelfstandig naamwoord A2 The trouble is that nobody wrote it down. Het probleem is dat niemand het heeft opgeschreven.
version versie Zelfstandig naamwoord A2 The second version was shorter and clearer. De tweede versie was korter en duidelijker.
volume deel (boek); volume Zelfstandig naamwoord A2 The third volume is missing from the shelf. Het derde deel ontbreekt op de plank.
title titel Zelfstandig naamwoord A2 The title of the report says nothing at all. De titel van het rapport zegt niets.
figure getal, cijfer Zelfstandig naamwoord A2 The figure in the table was three years old. Het getal in de tabel was drie jaar oud.
decision besluit, beslissing Zelfstandig naamwoord A2 The decision was taken without her. Het besluit werd zonder haar genomen.
document document Zelfstandig naamwoord A2 The document runs to thirty pages. Het document telt dertig bladzijden.
design ontwerp Zelfstandig naamwoord A2 The design was sound and the parts were not. Het ontwerp was goed, de onderdelen niet.
process proces, procedure Zelfstandig naamwoord A2 The process worked exactly as it was written. De procedure werkte precies zoals hij beschreven was.
standard niveau, norm Zelfstandig naamwoord A2 That is a high standard for a first attempt. Dat is een hoog niveau voor een eerste poging.
pattern patroon Zelfstandig naamwoord A2 The same pattern appears every Monday. Hetzelfde patroon herhaalt zich elke maandag.
visitor bezoeker Zelfstandig naamwoord A2 Two visitors asked about the old map. Twee bezoekers vroegen naar de oude kaart.
space ruimte, plaats Zelfstandig naamwoord A2 There was no space for the boxes next to the door. Bij de deur was geen ruimte voor de dozen.
front voorkant Zelfstandig naamwoord A2 The correction stood at the foot of the page and not on the front. De verbetering stond onder aan de bladzijde, niet vooraan.
future toekomst Zelfstandig naamwoord A2 Nobody knows what the future brings. Niemand weet wat de toekomst brengt.
life leven Zelfstandig naamwoord A2 She has lived in the same street all her life. Ze woont haar hele leven al in dezelfde straat.
Meervoud: “lives”, met “v”.
country land; platteland Zelfstandig naamwoord A2 He has worked in three countries. Hij heeft in drie landen gewerkt.
Meervoud: “countries”. Betekent ook het platteland, tegenover de stad.
picture foto, afbeelding, schilderij Zelfstandig naamwoord A2 There is a picture of her family on the desk. Op haar bureau staat een foto van haar familie.
group groep Zelfstandig naamwoord A2 A group of children waited at the gate. Bij het hek wachtte een groep kinderen.
face gezicht Zelfstandig naamwoord A2 I know the face but not the name. Ik ken dat gezicht, maar niet de naam.
middle midden Zelfstandig naamwoord A2 The table stands in the middle of the room. De tafel staat midden in de kamer.
care zorg, voorzichtigheid Zelfstandig naamwoord A2 Handle the glass with care. Ga voorzichtig met het glas om.
“to take care of” is “zorgen voor, regelen”.
idea idee Zelfstandig naamwoord A2 That is a good idea. Dat is een goed idee.
detail detail Zelfstandig naamwoord A2 She remembered every detail of the evening. Ze herinnerde zich elk detail van de avond.
heat hitte, warmte Zelfstandig naamwoord A2 The heat of the afternoon made everybody slow. De middaghitte maakte iedereen traag.
euro euro Zelfstandig naamwoord A2 The ticket costs nine euros. Het kaartje kost negen euro.
Na een getal in het Engels met “-s”: “nine euros”, terwijl je in het Nederlands “negen euro” zegt.
type soort, type Zelfstandig naamwoord A2 What type of ticket do you need? Wat voor kaartje heb je nodig?
chance kans Zelfstandig naamwoord A2 There is still a chance of rain this evening. Vanavond kan het nog regenen.
case geval Zelfstandig naamwoord A2 In that case, we will take the train. In dat geval nemen we de trein.
voice stem Zelfstandig naamwoord A2 She has a beautiful voice. Ze heeft een mooie stem.
sound geluid Zelfstandig naamwoord A2 I heard a strange sound at night. ’s Nachts hoorde ik een vreemd geluid.
role rol Zelfstandig naamwoord A2 She plays the role of the mother. Ze speelt de rol van de moeder.
secret geheim Zelfstandig naamwoord A2 Can you keep a secret? Kun je een geheim bewaren?
luck geluk (toeval) Zelfstandig naamwoord A2 Good luck with your exam! Succes met je examen!
Luck is geluk dat je toevalt; gelukkig zijn is “happy”.
sheet vel, blad; laken Zelfstandig naamwoord A2 Write your name on the sheet. Schrijf je naam op het blad.
row rij Zelfstandig naamwoord A2 We sat in the first row. We zaten op de eerste rij.
circle cirkel, kring Zelfstandig naamwoord A2 The children sat in a circle. De kinderen zaten in een kring.
capital hoofdstad Zelfstandig naamwoord A2 Paris is the capital of France. Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.
earth aarde Zelfstandig naamwoord A2 The earth goes around the sun. De aarde draait om de zon.
wheel wiel Zelfstandig naamwoord A2 One wheel of my bike is broken. Mijn fiets heeft een kapot wiel.
couple paar, stel; een paar Zelfstandig naamwoord A2 A young couple lives next door. Hiernaast woont een jong stel.
trap val, valstrik Zelfstandig naamwoord A2 The question was a trap. Die vraag was een valstrik.
change verandering, wijziging Zelfstandig naamwoord A2 There is a change in the plan. Er is een wijziging in het schema.
Bijvoeglijk naamwoord (28)
Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord? · Trappen van vergelijking
able in staat, bekwaam Bijvoeglijk naamwoord A2 She was able to answer without looking it up. Ze kon antwoorden zonder iets op te zoeken.
useless nutteloos Bijvoeglijk naamwoord A2 A key without a door is useless. Een sleutel zonder deur is nutteloos.
visible zichtbaar Bijvoeglijk naamwoord A2 The mark is visible only in strong light. Het teken is alleen bij fel licht zichtbaar.
final definitief, laatste Bijvoeglijk naamwoord A2 The conversation was short, polite and final. Het gesprek was kort, beleefd en definitief.
straight recht Bijvoeglijk naamwoord A2 The old road runs straight across the field. De oude weg loopt recht door het veld.
plain eenvoudig, gewoon Bijvoeglijk naamwoord A2 He asked for a plain answer. Hij vroeg om een eenvoudig antwoord.
quick snel, vlug Bijvoeglijk naamwoord A1 Nothing depended on the answer being quick. Niets hing ervan af of het antwoord snel kwam.
loud luid, hard Bijvoeglijk naamwoord A2 Nobody in the flat was loud about it. Niemand in het appartement maakte er drukte over.
usual gewoon, gebruikelijk Bijvoeglijk naamwoord A1 The usual procedure would have taken two days. De gewone procedure zou twee dagen duren.
real echt Bijvoeglijk naamwoord A1 The bag looks like leather but it is not real. De tas ziet eruit als leer, maar het is geen echt leer.
“real” betekent “echt”; “reëel” in de zin van “realistisch” is “realistic”.
extra extra Bijvoeglijk naamwoord A2 We paid extra for the second bag. Voor de tweede tas hebben we bijbetaald.
daily dagelijks Bijvoeglijk naamwoord A2 The bus runs daily except on Sunday. De bus rijdt elke dag behalve zondag.
local plaatselijk, lokaal Bijvoeglijk naamwoord A2 We buy our bread at the local baker. We kopen brood bij de bakker hier in de buurt.
close dichtbij, nabij Bijvoeglijk naamwoord A2 The shop is close to my house. De winkel is dicht bij mijn huis.
excellent uitstekend Bijvoeglijk naamwoord A2 The food here is excellent. Het eten is hier uitstekend.
amazing geweldig, verbazingwekkend Bijvoeglijk naamwoord A2 The view from the top is amazing. Het uitzicht vanaf de top is geweldig.
awful vreselijk, afschuwelijk Bijvoeglijk naamwoord A2 The weather was awful last week. Vorige week was het weer vreselijk.
huge enorm, reusachtig Bijvoeglijk naamwoord A2 They live in a huge house. Ze wonen in een enorm huis.
tiny piepklein Bijvoeglijk naamwoord A2 The kitchen is tiny. De keuken is piepklein.
perfect perfect Bijvoeglijk naamwoord A2 Your English is almost perfect. Je Engels is bijna perfect.
special bijzonder, speciaal Bijvoeglijk naamwoord A2 Today is a special day for us. Vandaag is een bijzondere dag voor ons.
popular populair, geliefd Bijvoeglijk naamwoord A2 This song is very popular. Dit nummer is heel populair.
modern modern Bijvoeglijk naamwoord A2 The new library is very modern. De nieuwe bibliotheek is heel modern.
famous beroemd Bijvoeglijk naamwoord A2 The town is famous for its cheese. De stad is beroemd om zijn kaas.
alive levend, in leven Bijvoeglijk naamwoord A2 The fish is still alive. De vis leeft nog.
asleep in slaap Bijvoeglijk naamwoord A2 The children are asleep. De kinderen slapen.
foreign buitenlands, vreemd Bijvoeglijk naamwoord A2 Do you speak a foreign language? Spreek je een vreemde taal?
lucky gelukkig (geluk hebbend) Bijvoeglijk naamwoord A2 We were lucky with the weather. We hadden geluk met het weer.
Bijwoord (16)
quietly zacht, stil Bijwoord A2 He closed the door quietly behind him. Hij deed de deur zachtjes achter zich dicht.
carefully zorgvuldig, voorzichtig Bijwoord A2 She read the letter carefully twice. Ze las de brief twee keer zorgvuldig.
openly openlijk Bijwoord A2 He said openly that he did not agree. Hij zei openlijk dat hij het er niet mee eens was.
directly rechtstreeks, direct Bijwoord A2 Ask him directly and he will tell you. Vraag het hem rechtstreeks, dan zegt hij het wel.
differently anders Bijwoord A2 Two readers remembered the sentence differently. Twee lezers herinnerden zich de zin anders.
simply gewoon, eenvoudigweg Bijwoord A2 The path had simply stopped being used. Het pad werd gewoon niet meer gebruikt.
afterwards daarna, achteraf Bijwoord A2 What surprised her afterwards was the silence. Wat haar achteraf het meest verbaasde, was de stilte.
anyway toch, hoe dan ook Bijwoord A2 He recorded them anyway. Hij heeft het toch opgenomen.
apart uit elkaar, apart Bijwoord A2 She took the argument apart in eleven minutes. In elf minuten haalde ze het argument uit elkaar.
eventually uiteindelijk Bijwoord A2 The compromise they reached eventually is standard now. Het compromis dat ze uiteindelijk bereikten, is nu de standaard.
Valse vriend: “eventually” is “uiteindelijk”, niet “eventueel”. “Eventueel” is “possibly” of “if necessary”.
somewhere ergens Bijwoord A2 The cost was written down somewhere. De kosten stonden ergens opgeschreven.
badly slecht Bijwoord A2 It was written down first, badly, by somebody in a hurry. Iemand had het eerst gehaast opgeschreven, en slecht.
anywhere ergens, nergens (bij ontkenning) Bijwoord A2 There was no instruction anywhere on the sheet. Nergens op het blad stond een instructie.
everywhere overal Bijwoord A2 We looked everywhere and found nothing. We hebben overal gezocht en niets gevonden.
ahead vooruit, voor ons Bijwoord A2 The car ahead of us stopped suddenly. De auto voor ons stopte plotseling.
easily gemakkelijk Bijwoord A2 The lid comes off easily once it is warm. Als het warm is, gaat het deksel er makkelijk af.
Voornaamwoord (4)
Grammatica hierbij: Persoonlijke voornaamwoorden · “there is” en “it is”
herself zichzelf, zelf (zij) Voornaamwoord A2 She looked at herself in the dark window. Ze keek naar zichzelf in het donkere raam.
itself zichzelf, vanzelf (van een ding) Voornaamwoord A2 The machine switches itself off at ten. De machine schakelt zichzelf om tien uur uit.
themselves zichzelf, zelf (zij, mv.) Voornaamwoord A2 They built the shed themselves. Ze hebben het schuurtje zelf gebouwd.
himself zichzelf, zelf (hij) Voornaamwoord A2 He had noticed the error himself. Hij zag de fout zelf.
Voorzetsel (9)
within binnen Voorzetsel A2 She replied within an hour. Ze antwoordde binnen een uur.
towards naar … toe, richting Voorzetsel A2 They walked quickly towards the market. Ze liepen snel richting de markt.
throughout de hele tijd, overal in Voorzetsel A2 She remained certain throughout. Ze was de hele tijd zeker van haar zaak.
past over (bij de klok) Voorzetsel A2 At ten past eight she walked to platform four. Om tien over acht ging ze naar perron vier.
along langs Voorzetsel A2 They walked along the water for an hour. Ze liepen een uur lang langs het water.
among tussen, onder Voorzetsel A2 The letter was among the old papers. De brief lag tussen de oude papieren.
Among bij meer dan twee: “among friends”. Bij twee staat “between” — het Nederlands zegt in beide gevallen “tussen”.
below onder, beneden Voorzetsel A2 The flat below ours is empty. Het appartement onder ons is leeg.
“below” zegt “lager dan”; “under” — “recht onder”.
across aan de overkant, over Voorzetsel A2 The bakery is across the street. De bakker is aan de overkant van de straat.
beside naast Voorzetsel A2 He sat down beside her. Hij ging naast haar zitten.
“beside” is “naast”, “besides” is “bovendien”.
Voegwoord (1)
whenever telkens als, wanneer ook Voegwoord A2 Whenever it rains, the door sticks. Telkens als het regent, klemt de deur.
Terug naar de overhoring ↑
Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek
Deze lijst hoort bij Basiswoorden — lijsten: twaalf, woorden: 808; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.
Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining
De overhoring heeft JavaScript nodig. Alles hierboven werkt ook zonder.
← Stad en wegen Lichaam en gezondheid →