Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 70

Kleine woorden die alles verbinden in het Engels

Voegwoorden, woorden voor hoeveelheid en versterkers.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (70), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Deze woorden staan op geen enkele themalijst en toch zitten ze in elke tweede zin. Ze zijn kort en onopvallend, en ze maken het verschil tussen losse zinnetjes en een samenhangend verhaal. Een paar ervan zijn valse vrienden of werken anders dan in het Nederlands — also en too bijvoorbeeld, allebei “ook”, maar op een andere plek in de zin. En let op de woordvolgorde: na because, if en although blijft het werkwoord vooraan, niet achteraan zoals in een Nederlandse bijzin.

De woorden

Zelfstandig naamwoord (1)

Grammatica hierbij: Het meervoud · Het onbepaald lidwoord: “a” en “an”

thingdingZelfstandig naamwoordA1
One thing at a time.Eén ding tegelijk.

Bijvoeglijk naamwoord (6)

Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord? · Trappen van vergelijking

otherander, andereBijvoeglijk naamwoordA1
The other door is open.De andere deur is open.
anothernog een, een andereBijvoeglijk naamwoordA1
Would you like another cup?Nog een kopje?
everyelk, iedereBijvoeglijk naamwoordA1
She calls every Sunday.Ze belt elke zondag.
suchzo’n, zulkBijvoeglijk naamwoordB1
It was such a long day.Het was zo’n lange dag.

“so” voor een bijvoeglijk naamwoord, “such” voor een groep met een zelfstandig naamwoord: “so long”, “such a long day”.

nextvolgend, volgendeBijvoeglijk naamwoordA1
The next train goes at ten.De volgende trein gaat om tien uur.
severalverscheidene, een aantalBijvoeglijk naamwoordA2
Several people asked the same thing.Een aantal mensen vroeg hetzelfde.

Bijwoord (22)

alsoookBijwoordA1
She also speaks Italian.Ze spreekt ook Italiaans.

“also” staat midden in de zin, “too” aan het eind: “she speaks Italian too”.

tooook; teBijwoordA1
It is too expensive for us.Het is te duur voor ons.
veryheel, ergBijwoordA1
That was very kind.Het was heel aardig.
quitevrij, best, nogalBijwoordA1
The film was quite good.De film was best goed.

In het Brits zwakt “quite” eerder af, in het Amerikaans versterkt het. Wat bedoeld is, blijkt uit de context en de toon.

reallyecht, werkelijkBijwoordA1
I really do not know.Ik weet het echt niet.
justnet, gewoon, alleenBijwoordA1
She has just left.Ze is net weg.
onlyalleen, maarBijwoordA1
There is only one seat left.Er is maar één plaats over.
evenzelfsBijwoordA2
He did not even say goodbye.Hij zei niet eens gedag.
enoughgenoegBijwoordA1
The room is not big enough.De kamer is niet groot genoeg.

“enough” staat achter een bijvoeglijk naamwoord, maar voor een zelfstandig naamwoord: “big enough”, “enough space”.

insteadin plaats daarvanBijwoordA2
The train was full, so we took the bus instead.De trein was vol, dus we namen in plaats daarvan de bus.
howeverechter, maarBijwoordA2
The plan was good. However, it failed.Het plan was goed. Het lukte echter niet.

“however” verbindt twee aparte zinnen en krijgt een komma.

herehierBijwoordA1
The key is here on the shelf.De sleutel ligt hier, op de plank.
nownuBijwoordA1
We should leave now.We moeten nu gaan.
thendan, daarna; toenBijwoordA1
First the soup, then the bread.Eerst soep, dan brood.
everooitBijwoordA2
Have you ever been to Wales?Ben je ooit in Wales geweest?

In vragen en ontkenningen. Het ontkennende antwoord is “never”.

almostbijnaBijwoordA2
We are almost there.We zijn er bijna.
perhapsmisschienBijwoordA2
Perhaps she forgot.Misschien is ze het vergeten.
lessminderBijwoordA2
It costs less than I thought.Het kost minder dan ik dacht.

“less” bij ontelbare, “fewer” bij telbare woorden: “less water”, “fewer bottles”.

leasthet minstBijwoordA2
That is the least of our problems.Dat is het minste van onze problemen.
offuit, wegBijwoordA2
Please switch the light off.Doe het licht alsjeblieft uit.
wellgoed (bijwoord)BijwoordA1
She sings very well.Ze zingt heel goed.

“good” is een bijvoeglijk naamwoord, “well” een bijwoord: “a good singer”, “she sings well” — waar het Nederlands twee keer “goed” zegt.

nowherenergensBijwoordB1
The key was nowhere in the flat.De sleutel was nergens in het appartement.

Voornaamwoord (21)

Grammatica hierbij: Persoonlijke voornaamwoorden · “there is” en “it is”

allalle, allemaal, allesVoornaamwoordA1
All the shops were closed.Alle winkels waren dicht.
somewat, een paar, sommigeVoornaamwoordA1
I bought some apples.Ik heb wat appels gekocht.

“some” in bevestigende zinnen, “any” in vragen en ontkenningen — behalve bij een aanbod: “Would you like some tea?”

anyenig, wat; geenVoornaamwoordA1
Do you have any questions?Heb je nog vragen?
manyveel (telbaar)VoornaamwoordA1
There were not many people.Er waren niet veel mensen.

“many” bij telbare, “much” bij ontelbare woorden — het Nederlands zegt in beide gevallen “veel”.

muchveel (ontelbaar)VoornaamwoordA1
We do not have much time.We hebben niet veel tijd.
fewweinigVoornaamwoordA1
Few people know about it.Weinig mensen weten dat.

“few” is “weinig” en klinkt als “te weinig”; “a few” is “een paar” en klinkt als “genoeg”.

moremeerVoornaamwoordA1
We need more chairs.We hebben meer stoelen nodig.
mostde meeste, het meestVoornaamwoordA1
Most of them arrived on time.De meesten kwamen op tijd.
eachelk, ieder (afzonderlijk)VoornaamwoordA1
Each participant gets a folder.Elke deelnemer krijgt een map.
bothbeide, allebeiVoornaamwoordA1
Both answers are correct.Beide antwoorden zijn goed.
eithereen van beide, welke ook; ook nietVoornaamwoordA2
You can take either bus.Je kunt met allebei de bussen gaan.

Aan het eind van de zin betekent het “ook niet”: “I do not know either”.

neithergeen van beideVoornaamwoordB1
Neither answer was right.Geen van beide antwoorden was goed.
nonegeen enkele, niets ervanVoornaamwoordA2
None of the shops were open.Geen van de winkels was open.
somethingietsVoornaamwoordA1
There is something in the box.Er zit iets in de doos.
nothingnietsVoornaamwoordA1
Nothing happened all evening.De hele avond gebeurde er niets.
anythingiets, wat dan ookVoornaamwoordA1
Did you hear anything?Heb je iets gehoord?
everythingallesVoornaamwoordA1
Everything was ready by six.Om zes uur was alles klaar.
somebodyiemandVoornaamwoordA1
Somebody left a note.Iemand heeft een briefje achtergelaten.
nobodyniemandVoornaamwoordA1
Nobody answered the door.Niemand deed de deur open.
whoeverwie ook, wie dan ookVoornaamwoordB1
He leaves notes for whoever comes next.Ze laat briefjes achter voor wie er ook na haar komt.
someoneiemandVoornaamwoordA2
Someone had already turned the heating off.Iemand heeft de verwarming al uitgezet.

Voorzetsel (11)

withmetVoorzetselA1
Come with me.Kom met me mee.
withoutzonderVoorzetselA1
He left without saying a word.Hij ging weg zonder een woord te zeggen.

Na “without” staat “-ing”, nooit de infinitief: “without saying”, niet “without to say”.

aboutover; ongeveerVoorzetselA1
We talked about the plan.We praatten over het plan.
throughdoor (dwars door)VoorzetselA1
We walked through the park.We liepen door het park.
overboven, overVoorzetselA1
The plane flew over the city.Het vliegtuig vloog over de stad.
underonderVoorzetselA1
The cat is under the table.De kat zit onder de tafel.
againsttegenVoorzetselA2
They voted against the plan.Ze stemden tegen het plan.
afterna, nadatVoorzetselA1
We can talk after lunch.We kunnen na het eten praten.
beforevoor, voordatVoorzetselA1
Call me before you leave.Bel voordat je weggaat.
beyondvoorbij, achterVoorzetselB1
Beyond the second gate the path is unmarked.Voorbij het tweede hek is het pad niet gemarkeerd.
underneatheronder, onderVoorzetselB1
The damp had spread underneath the floor.Het vocht trok onder de vloer door.

Voegwoord (8)

andenVoegwoordA1
Bread and butter, please.Brood en boter, graag.
butmaarVoegwoordA1
It is small but comfortable.Het is klein, maar comfortabel.
orofVoegwoordA1
Tea or coffee?Thee of koffie?
becauseomdat, wantVoegwoordA1
We stayed in because it was raining.We bleven thuis omdat het regende.

Na “because” een hele zin met de gewone woordvolgorde: “because it was raining”, niet “because it raining was”. Voor een zelfstandig naamwoord staat “because of”.

sodus, daaromVoegwoordA1
It was late, so we went home.Het was laat, dus we gingen naar huis.

“because” en “so” staan niet in dezelfde zin.

ifals, indienVoegwoordA1
If you need help, just ask.Als je hulp nodig hebt, vraag het gewoon.
althoughhoewel, ofschoonVoegwoordB1
Although it was cold, we walked.Hoewel het koud was, gingen we lopen.

“although” en “but” staan niet in dezelfde zin.

whileterwijlVoegwoordA1
She read while the others waited.Ze las terwijl de anderen wachtten.

Uitdrukking (1)

a lot ofveel, een heleboelUitdrukkingA1
There is a lot of work to do.Er is veel werk te doen.

Terug naar de overhoring ↑

Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek

Deze lijst hoort bij Basiswoorden — lijsten: twaalf, woorden: 808; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining