Every sentence comes from this course’s word lists or grammar topics. The verb form is highlighted, and the line below says which tense and person it is.
Vertel me de waarheid.Tell me the truth.
Vertel — Onvoltooid tegenwoordige tijd · ik; Gebiedende wijs · jij/jullie
Opa vertelt graag verhalen.Grandad likes telling stories.
vertelt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
Ik heb het je toch verteld!But I told you!
verteld — voltooid deelwoord · Betaald, vergeten, opgebeld: participles without ge- and with ge- in the middle
Ze heeft het moeten vertellen.She has had to tell it.
vertellen — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie · Ik heb niet kunnen komen: the replacement infinitive
Het boek waarover ik vertelde, is uit.The book I told you about is out.
vertelde — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je · erop, ermee, daaraan, waarmee: er with a preposition
Vertel me een verhaal.Tell me a story.
Vertel — Onvoltooid tegenwoordige tijd · ik; Gebiedende wijs · jij/jullie