Every sentence comes from this course’s word lists or grammar topics. The verb form is highlighted, and the line below says which tense and person it is.
Deze bus rijdt op waterstof.This bus runs on hydrogen.
rijdt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
Ik rijd elke dag naar mijn werk.I drive to work every day.
rijd — Onvoltooid tegenwoordige tijd · ik; Gebiedende wijs · jij/jullie
Op de snelweg mag je honderd rijden.You can drive a hundred on the motorway.
rijden — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie
Hij reed veel te hard.He drove far too fast.
reed — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je
De tram rijdt elke tien minuten.The tram runs every ten minutes.
rijdt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
We rijden over de grens naar België.We are driving across the border into Belgium.
rijden — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie